Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

mops - (kleine hond met stompe snuit)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

mops zn. ‘kleine hond met stompe snuit’
Nnl. mops ‘kleine soort van dog’ in Steendoggen. De honden van dit Ras worden ook ... Mopsen geheeten [1778; WNT steen].
Expressieve nevenvorm van mop ‘id.’, en dan wrsch. een betekenisuitbreiding van mop ‘scheldnaam voor een Duitser’ [1625; WNT mop I], het Nederlandse equivalent van Duits Muff, zie → mof 1 ‘Duitser’. Een andere mogelijkheid (NEW) is dat de hondennaam is afgeleid van het werkwoord moppen (later mopperen) ‘mokken, klagen’, vanwege de mistroostige gezichtsuitdrukking van het dier.
Hoogduits Mops ‘mops’ is een ontlening aan het Nederlands, al dan niet via het Nederduits.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

mops* [hond] {1778, ook mop 1839} vermoedelijk van mop [brok, klomp, kluit]; vanwege de stompe snuit.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

mop 2, mops znw. m.,‘hondensoort’, niet zoals men wel gemeend heeft in de 18de eeuw aan het nhd. ontleend, want nhd. mops, dat eerst 1706 voorkomt, is juist omgekeerd uit nnd. mops, nnl. mop(s) overgenomen. Het dier kreeg zijn naam naar zijn mistroostige gezichtsuitdrukking en het woord hangt dus samen met nnl. moppen, mopperen en ne. mop ‘zijn gezicht vertrekken, grimassen maken’. — Zie verder: mopperen.

mops znw. m. ‘hondesoort’, zie: mop 2.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

mop II, mops (hond), ook op du. gebied, en overgenomen in de skandin. talen. Identisch met mop I; vgl. ndd. mops “brok, blok van een mensch, lomperd, sukkel, dog met stompen snuit”. Ook een schertsende latiniseering mopsus komt voor.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

mop 2, mops m. (hond), bij mopperen (z.d.w.); hiervan Hgd. mops; voor anderen hetz. als mop 1, wegens zijn stompen snuit.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

mops s.nw.
Hondjie met 'n stomp snoet.
Uit Ndl. mops (1778).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

mops ‘hondensoort’ -> Duits Mops ‘hondensoort; klein en dik persoon’; Deens moppe ‘hondensoort’; Deens mops ‘hondensoort’ ; Noors mops ‘hondensoort’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds mops ‘hondensoort’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins mopsi ‘hondensoort’ ; Italiaans mops ‘hondensoort’ ; Roemeens cîine mops ‘hondensoort’; Tsjechisch mops ‘hondensoort’ ; Pools mops ‘hondensoort’; Kroatisch mops ‘hondensoort’ ; Macedonisch mops ‘hondensoort’ ; Servisch mops ‘hondensoort’ ; Sloveens mops ‘hondensoort’ ; Russisch móps ‘hondensoort’; Bulgaars mops ‘hondensoort’ ; Oekraïens móps ‘hondensoort’ ; Wit-Russisch mops ‘hondensoort’ ; Azeri mops ‘hondensoort’ ; Litouws mopsas ‘hondensoort’ ; Esperanto mopso ‘hondensoort’ ; Sranantongo mopidagu ‘hondensoort’.

N. van der Sijs (2006), Klein uitleenwoordenboek, Den Haag

mops. Mops of mopshond is de benaming van een bepaalde kleine dog met stompe snuit. De naam van het dier is in het Nederlands afgeleid van het werkwoord moppen (het grondwoord van mopperen), dat 'brommen, knorren, verdrietig zijn' betekende, of van het woord mop 'klomp, brok, kluit'. In het eerste geval is het dier zo genoemd naar de verdrietige gezichtsuitdrukking, in het tweede geval naar de stompe snuit; in beide gevallen verwijst de benaming naar de eigenaardige vorm van de kop. De naam van het dier is voor het eerst in 1778 in het Nederlands aangetroffen; uit het daar vermelde blijkt dat het dier voordien steendog heette:

Steendoggen. De honden van dit Ras worden ook Bologneesche Doggen, Hoogduitsche Doggen en Mopsen geheeten. Zij verschillen niet van den eigentlijken Dog, dan daar in, dat zij kleiner zijn, dat zij kleiner kop, dunner en korter lippen, en de snoet min breed en min opgeschort hebben.

Het dier was in de zeventiende eeuw als schoothondje zeer geliefd. Het ras werd door de Duitsers uit Nederland ingevoerd. Sinds begin achttiende eeuw is in Duitsland de Mops bekend. Via het Duits is het woord mops terechtgekomen in het Kroatisch, Macedonisch, Servisch en Sloveens. Ook het Russisch kent het woord mops, en wel sinds 1793. Niet zeker is of dit is ontleend aan het Nederlands of aan het Duits. In het Duits heeft het woord Mops er een betekenis bij gekregen die het woord in het Nederlands niet kent, namelijk 'geldstukken, duiten'. Deze betekenis is in de studententaal ontstaan als spotnaam, vanwege de dikke gezichten die vroeger op bepaalde munten waren afgebeeld.

In het Sranantongo heet het dier mopidagu, waarin het tweede deel, dagu, een vertaling is van 'hond': dagu gaat terug op het Engelse dog.

Zie ook rolmops.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

mops* hondensoort 1778 [WNT steen]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut