Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

mop - (grote metselsteen, koekje, grap)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

mop zn. ‘grap; deuntje, liedje’
Vnnl. moppen ‘gebakken stenen’ [1623; iWNT], De Moppen ter lenghte van tien duymen [1645; iWNT]; nnl. ‘zekere harde, langwerpigronde koekjes’ [1769; iWNT], mop ‘grap’ in dat 's een goeie mop hoor! [1892; Groene Amsterdammer], mopje ‘grappig geschreven stukje tekst’ in een “mopje”, zooals mijn vriend ... zich smadelijk uitdrukt [1885; Groene Amsterdammer], een mopje muziek ‘een deuntje, een liedje’ [1885; Groene Amsterdammer], een vroolijke Engelsche mop, met veel hooge noten en trillertjes [1900; iWNT triller].
Vanaf de 17e eeuw was mop een informeel woord voor baksteen, zoals nu nog vooral in de samenstelling kloostermoppen voor een bepaald historisch type baksteen dat bij restauraties wordt gebruikt. Bij uitbreiding werden ook koekjes van die vorm zo genoemd: algemeen bekend zijn in het NN bijv. nog de Weesper moppen. Het woord mop ‘grap’ en ‘deuntje, liedje’ is vermoedelijk hetzelfde woord, hoewel de achtergrond van de betekenisoverdracht duister is. WNT legt het verband expliciet met de betekenis ‘koekje’.
Van het woord zelf is de herkomst onbekend. In Zuid-Nederlandse dialecten komen vormen met -f voor (mof, moef(e)), en Kiliaan (1599) neemt moffe ‘grote baksteen’ op, dat hij Zeeuws en Hollands noemt. Volgens NEW zijn deze woorden affectieve nevenvormen van → mok. Ook aan mop zou dan een algemene betekenis ‘homp’ ten grondslag liggen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

mop2* [grote metselsteen, koekje, grap] {1634 in de betekenis ‘gebakken steen’; als koekje 1778; de betekenis ‘grap’ 1895} de oudere betekenis is ‘klomp, brok’, waarvandaan ook ‘hard gebakken koek’; de betekenis ‘grap’ is hiervan wellicht een overdrachtelijk gebruik.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

mop

De oudste ons bekende betekenis van mop is: klomp, brok. Men gebruikt het woord voor stenen van bepaalde grootte en vandaar ook voor harde langwerpige of ronde koekjes, zoals de bekende Weesper moppen. Ook voor geldstukken bezigde men vroeger het woord wel, maar wij kennen ook de inktmop, de grote klad inkt. Uit de betekenis: ding van weinig waarde ontwikkelde zich die van: scherts, grap. Men tapt moppen of zegt iets voor de mop. En tenslotte is het woord gebruikelijk geworden voor: deuntje, wijsje, liedje in tegenstelling tot ernstige muziek. De mop uit: ‘Toen onze mop een mopje was’, is de mopshond, maar het is hetzelfde woord.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

mop 1 znw. v. ‘steen, koekje, grap’ sedert de 17de eeuw ‘soort van stenen’; Kiliaen vermeldt als Zeeland. Holl. moffe en nog Zuidnl. moef, mof, ‘gebakken steen’. Men kan vergelijken mok 1 en dan is het waarschijnlijk, dat het een affectieve parallel-formatie naast dit woord is.

Voor de bet. ‘grap’ herinnert A. P. de Bont, Ts 50, 1931, 221-222 aan de bet. ‘paardevijg’ in Oostelijk N-Brabant; het faecale of seksuele karakter van moppen kan het woord mop in de bet. van ‘grap’ hebben doen opkomen (vgl. ook ui, waarbij men echter minder aan het ‘luchtje, dat er aan is’ zal moeten denken, dan aan ‘tranen krijgen van het lachen’).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

mop I (steen, koekje, grap), in de bet. “een soort van steenen” sedert de 17.eeuw. Vgl. Kil. “moffe. Zeland. Holl. vetus. Later coctus grandior”, zuidndl. moef(e), mof “id.”. Als oudere bet. neemt men gew. “klomp, brok” aan. Vgl. ook zuidndl. mokken “kleine, hard gebakkene, bruine koeken”. Oorsprong onbekend. Formeel herinneren deze woorden aan mopperen en de daar aangehaalde woordgroepen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

mop I (steen, koekje, grap), sluit zich aan bij de s.v. mokken Suppl. (onder mokkel) genoemde woorden; voor wisseling van k en p (f) vgl. nog foppen Suppl. en fokken Suppl. — Bij zuidndl. mokken ‘soort koeken’ adde: gron. mokke ‘klein, langwerpig rond koekje’.
A.P.de Bont Tschr. 50, 222 slaat het gemiddeld peil van grappen toch wel wat laag aan als hij voor mop ‘grap’ wil uitgaan van de dial. (oost-noordbrab. e.e.) bet. ‘uitwerpsel (vooral van paarden)’: de oudste bet. zou dan zijn ‘verhaaltje, waar een luchtje aan is’ (vgl. nog ui Suppl.). Meer voor de hand ligt het de bet. ‘grap’ op te vatten als een overdracht van ‘koekje’; vgl. bak II Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

mop 1 v. (klomp, gebakken steen, koekje, grap, inktvlak), oorsp. onbek. Voor de bet. beker vergel. de synon. mok en Hgd. humpen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2mop s.nw. (geselstaal; minder gebruiklik)
Grap of anekdote.
Uit Ndl. mop (1899).

3mop s.nw. (ongewoon)
Groot en swaar baksteen.
Uit Ndl. mop (1634). Eerste optekening in vroeë Afr. op 14 Julie 1677 in die samestelling mopsteenen (Resolusies van die Politieke Raad, C.11).

Thematische woordenboeken

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

moppie In 1882 begon de Amsterdamse letterkundige Taco H. de Beer met het tijdschrift Onze Volkstaal. Tot 1890 verschenen er drie jaargangen. Toen moest het blad wegens gebrek aan belangstelling worden opgeheven. In 1894 stond De Beer zo’n dertig nog ongepubliceerde artikelen af aan de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde in Leiden. Bij die handschriften zit een woordenlijst van elf foliovellen met ‘Amsterdamsche uitdrukkingen’, een lijst die wordt toegeschreven aan een zekere A.C. de Graaf. De Graaf vermeldt veertien borrelnamen, waaronder moppie, dat in deze betekenis nergens anders is aangetroffen. Dat er aan het eind van de 19de eeuw in de hoofdstad heel wat moppies werden gedronken, lijdt echter geen twijfel. De Leidse lexicograaf Rob Tempelaars, die een uitgave van het handschrift van De Graaf voorbereidt, noemt hem ergens ‘een groot kenner van het negentiende-eeuws Amsterdams’. Het WNT voegde De Graafs lijst pas in 1960 aan het bronnenbestand toe. Voor moppie was dit te laat. Daarom kent het Woordenboek dit woord slechts in de betekenis ‘deuntje, wijsje, liedje’. Van Dale voegde hier later de betekenis ‘vleinaam voor jonge kinderen’ en ‘meisje, vrouw’ aan toe. Als borrelnaam zal het zijn geïnterpreteerd als ‘kleintje, beetje’. Andere borrelnamen die alleen in het handschrift van De Graaf voorkomen, zijn paraplu voor drie centen, half soep en soldatenthee. Zie ook rotterdammertje.

[Graaf]

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Moppen, geld; eig. brok, klomp, verg. stuk geld, goudstuk. Mappentrommel in ’t barg. = effectentrommel, geldkist; v. Zeggelen 1, 24: “A1 vlogen zijn moppen (t.w. van den schoonvader) naar Delfts brouwerij (t.w. van J. Steen), toch zaten de zaken er duchtig op zij”. Nu, die heeft moppen! Mop = aardigheid is hetzelfde woord; bij ’t volk hoort men ook bonk in die bet.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

mop ‘grap’ -> Menadonees mop ‘grap’.

mop ‘groot stuk, brok’ -> Duits Moppe ‘oorvijg’; Duits dialect Moppe ‘gebak’.

mop ‘gebakken steen’ -> Duits dialect Mopp, Moppe ‘gele baksteen’; Deens moppe ‘gebakken steen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

mop* grap 1895 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1420. Iemand een loer draaien,

d.i. iemand eene poets bakken, eene kool stoven. In geheel Noord- en ook hier en daar in Zuid-Nederland bekend; zie Fri. Wdb. II, 130 b; Hoeuft, 363; Gallée, 27 a; Molema, 246 b; Bergsma, 12: een loer andraaien; Schuermans, 345 a; Harreb. II, 34; Ndl. Wdb. VIII, 2563; Dievenp. 55; Nkr. III, 22 Aug. p. 6; VII, 1 Maart, p. 4; Menschenw. 229. Onder een loer zal men eigenlijk moeten verstaan een luur, een lap; daarna een ding van weinig waarde, iets slechts, een streek, een grap. Vgl. Sweerts, Koddige Opschr. 4, 108: Daarom zijn 't Jan-gatten, Memmetrutten, die 'er manlijkheit dus laten onteeren en rechte Loerlappen, die 'er van zulke boze duivels laten overheeren.

Steun aan de hier gegeven beteekenis-ontwikkeling geven de volgende woorden, die alle eveneens de beide begrippen vod, nietswaardig ding, iets van geringe waarde en grap, poets in zich vereenigen. In de eerste plaats wijs ik op het Vlaamsche iemand een wiek draaien, waarin wiek eigenlijk de lemmet eener lamp beteekent (Schuerm. 867); verder op: iemand ollen (eig. prullen, vodden) draaien; iemand een foef (eig. lap, vod) bakken; iemand knotjes (eig. bosje, kluwentje) draaien, voordraaien (Boekenoogen, 472), waarnaast een wkw. knotten, verzinsels vertellen, guitige streken uithalen. Het Westvl. knollen, knullen beteekent beuzelarij, onnoozele praat, dwaasheid, doch oorspr. vertaalt Kiliaen het door glomus, globus, kluwen, bal; iemand knoopen draaien, iemand bedotten (V. Dale), de. at dreie en Knap; Afrik. iemand 'n knop draai; in de 17de eeuw was zeer gewoon lorren draaien, bedriegen, smokkelen, en lorrendraaierij, bedrog, smokkelarij naast lorling-, lordlingdraaierij, waarin lorling eig. beteekent een stukje touw, waarmede een rietdekker het riet of stroo vastmaakt, en dat oorspr. lordling luidde, afleiding van *lord, oostfri. lurd, alte Lappen oder Fetzen, bz. aus alten aufgedrehten Schiffstauen gefertigte lose Garne od. lockere Drähte, womit Schiffseile, etc. umwickelt werden (Ten Doornk. Koolm. II, 551 b; Winschooten, 145). Naast ons znw. vod(de), oorspr. lap, kent het hd. fudden, fuddeln, valsch spelen, bedriegen; een slenter, eig. lap, komt in de 17de eeuw ook voor in den zin van looze streek en is in dien zin nog bekend in de uitdr. met slenters omgaan; het znw. lomp, vod, kan samenhangen met het wkw. lompen, bedriegen, bedotten (no. 1422; fri. lompe naast loere; vgl. Halma, 321: loeren, bedotten); Kiliaen kent een znw. loen in den zin van kleine paal, pen, doch in de 17de eeuw komt het ook voor in de bet. streek, kuur, terwijl thans nog gezegd wordt iemand een loentje of loentjes draaien (of zetten; zie o.a. Ndl. Wdb. VIII, 2559; Köster Henke, 40; Jord. 60; 69; 124; 248. Een loet is een werktuig om te scheppen of te krabben (zie o.a. Opprel, 71); in Zuid-Nederland is loet een nuk, gril, kuur (zie o.a. Antw. Idiot. 772; Schuermans, 345 b); een kodde is een knots, waarnaast Kiliaen een znw. kodde, aardigheid, grap vermeldt, waarvan het adjectief koddig, grappig; een plugge is in het Westvl. ook een gemeene vent en een klucht, scherts (De Bo, 874 b); een patjol was een houweel maar ook een grap (Ndl. Wdb. XII, 791); een prul is een ding van weinig waarde (nd. prull, buil, gezwel) en in het Westvl. een bedriegelijk gezegde, waarnaast een ww. prullen, schertsen, leugens vertellen (De Bo, 897 b); een palulle is een lap, en palullen beteekent foppen, bedriegen (De Bo, 822; Ndl. Wdb. XII, 254); wellicht mag ook vergeleken worden het 17de-eeuwsche iemand een pijp draaien (Lichte Wigger, 31); enz. Andere woorden hebben uit de beteekenis stuk, brok, klomp die van bedrog, grap ontwikkeld, zooals blijkt uit stuk in de uitdr. stukken draaien (zie aldaar); vroeger beteekende kluitIn het Westvl. bet. kluite een dikke lap en een sul (De Bo, 538 b)., mnl. clute, ook grap, vooral bekend uit een sotte cluyt, een kluchtspel; evenzoo is een mop eig. een steen, doch thans ook een grap, een ui, en in het Amsterdamsch verstaat men onder een bonk, eveneens een grap, leugen, verzinsel (zie Köster Henke, 11).(Aanv.) Voor iemand een pijp draaien zie Ndl. Wdb. XII, 1746-1747.

Met het oog op al deze gelijksoortige beteekenis-ontwikkelingen is het dus niet onwaarschijnlijk, dat we aan loer in de eerste plaats de bet. moeten toekennen van lap, waaruit die van lummel, gemeene vent (vgl. zuiplap), bedrieger, waarnaast ook loeren, bedriegen, en die van bedrog is voortgevloeid. Wat eindelijk het wkw. draaien in deze uitdr. betreft, dit heeft hier de algemeene beteekenis van in orde maken, klaar maken, leveren ontleend aan de draaibank; vgl. iemand iets bakken, lappen, flikken, draaien (Molema, 86 b; Rutten, 72 a; Antw. Idiot. 373 en De Bo, 261: iemand een kaaksmete draaien), enz., waar eveneens niet meer aan de oorspr. beteekenis wordt gedacht. Zie verder mijn uitvoerig artikel in Noord en Zuid XXI, 243-259.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut