Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

moord - (doodslag)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

moord zn. ‘doodslag’
Onl. morth ‘moord’ [8e eeuw; LS]; mnl. ghi hebbet beide gedaen [di]e mord ‘u hebt beiden die moord gepleegd’ [1260-80; VMNW], Te iherusalem ... Dar hi grote mord in dede ‘in Jeruzalem, waar hij een massamoord aanrichtte’ [1285; VMNW]. Eerder alleen in afleidingen: mordadech wapin ‘een wapen waarmee gemoord kan worden’ [1237; VMNW], morder, mordenere ‘moordenaar’ [beide 1220-40; VMNW].
Os. morth (mnd. mōrt); ohd. mord (nhd. Mord); ofri. morth (nfri. moard); oe. morþ; on. morð (nzw. mord); < pgm. *murþa-. Met ander achtervoegsel: oe. morðor ‘moord’ (ne. murder); got. maurþr ‘id.’; < pgm. *murþra-.
De betekenis ‘moord’ is specifiek Germaans. De oorspronkelijk Indo-Europese betekenis is bijvoeglijk ‘dood’, vanwaar ‘sterfelijk’, zoals blijkt uit de verwante woorden: Latijn mortuus ‘dood’ (zie ook → amortisatie); Grieks brotós ‘sterfelijke’ (zie ook → ambrozijn); Sanskrit a-mrta- ‘onsterfelijk’; Avestisch a-məša ‘id.’; Oudkerkslavisch mrŭtvŭ ‘dood’; Oudiers marb ‘id.’; Armeens mard ‘man’; < pie. *mr-to- ‘dood, sterfelijk’ (IEW 735), afleiding van de wortel *mer- ‘sterven’, waarbij de werkwoorden: Latijn morī; Sanskrit mriyáte; Litouws mir̃ti; Oudkerkslavisch mrěti (Russisch umerét'); Armeens meranim; misschien ook Hittitisch mēr- ‘verdwijnen, vergaan’. De -þ- in het Proto-Germaans is opmerkelijk, aangezien men uit pie. *mr-tó- (nultrap draagt geen klemtoon) door grammatische wisseling een stemhebbende fricatief, ofwel pgm. *-d- zou verwachten.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

moord* [doodslag met voorbedachten rade] {mo(o)rt [dood, vooral een gewelddadige] 1260-1280} oudsaksisch, oudfries morth, oudhoogduits mord, oudengels, oudnoors morð [doodslag die niet publiek wordt gemaakt], naast oudengels morðor, gotisch maurþr; buiten het germ. latijn mors (2e nv. mortis) [de dood], grieks brotos (met b < m) [sterfelijk], oudiers marb [gestorven], oudkerkslavisch mrěti [sterven]. De uitdrukking steek de moord [val dood] is verbasterd uit de moord steke u, waarin steken betekende ‘treffen’, ‘slaan’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

moord znw. m. v., mnl. moort, mort v. m. ‘moord, dood, slachting, gruweldaad’, os. morth, ohd. mord o., ofri. morth o., oe. morð m. o., on. morð o. ‘moord’. Daarnaast met -tro- suffix got. maurþr, oe. morðor (waaruit het germ. ww. *murþrjan, vgl. mnl. morderen, moorderen, ohd. murdiren, oe. myrðrian, got. maurþjan). — oi. amṛta-, av. ameša ‘onsterfelijk’, gr. brotós ‘sterfelijk’, lat. mors, lit. mirtìs ‘dood’ (IEW 735). — Zie ook: murw.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

moord znw., mnl. moort, mort (d) v.m. “moord, dood, sterfte, slachting, gruweldaad” = ohd. mord o. (nhd. mord m.), os. ofri. morth o., ags. morð m.o., on. morð o. “moord” (en verwante bett.). ’t Got. kent alleen maúrþr o. “moord” = ags. morðor m.o. (eng. murder) “moord” (en verwante bett.), waarbij zich weer got. maúþrjan “(ver-) moorden” = mnl. morderen, moorderen, ohd. murdiren, ags. myrðrian (eng. to murder) “id.” aansluiten. Uit ’t Germ. komt fr. meurtre “moord”. Germ. *murþa-, *murþra- komt van de idg. basis mer- “sterven”, waarvan o.a. ook ier. marb bnw. “dood”, lat. morior “ik sterf”, gr. mortós (Hes.), brotós “sterveling”, obg. mĭrᶏ, mrěti “sterven”, lit. mírsztu, mir̃ti “id.”, arm. meṙanim “ik sterf”, oi. mriyáte, márate “hij sterft”. Het deelw. oi. mṛtá-, av. mǝrǝta- “gestorven, dood” is op ’t accent na identisch met germ. *murþa-. Zie murw.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

moord m., Mnl. moort, Os. morth + Ohd. mord (Mhd. mort, Nhd. mord), Ags. morđ en de afleid. morđor (Eng. murder), Ofri. morth, On. morđ (Zw. en De. mord), Go. afleid. maurþr + Skr. mṛtam = dood, Arm. mard, Gr. mrotós = sterfelijk (in a-mbrotós), Lat. mors, gen. mortis = dood, Oier. marb = gestorven, Os. mrèti, Lit. miȓti = sterven: Idg. wrt. mer. Ging in ’t Rom. over: Fr. meurtre. — De etym. bet. (d.i. dood) is nog over in de moord sla mij.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

moord (zn.) moord; Vreugmiddelnederlands morth <700-800>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

moordsaak s.nw.
Hofsaak waarin iemand verhoor word op aanklag van moord.
Uit Ndl. moordzaak.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

moord, moort. In de 17de en 18de eeuw komt moord in combinatie met de werkwoorden slaan, steken, halen en schennen voor. Bij Hooft komen wij tegen “Indien ick niet jou geck so slaet me de moort” ‘als ik jou niet voor de gek hou, dan moge ik vermoord worden’, en Vondel schrijft “Is ’t valsch zoo sla de moort my” ‘als het onwaar is, moge de gewelddadige dood mij treffen’. En: “By gord, gans velten swijght, swijght dat jou de Moort steeckt” ‘bij God, Sint-Velten zwijg, zwijg totdat de gewelddadige dood je treft’, kunnen wij bij Bredero lezen. “Hunn’ goddeloosheit hael de moordt” ‘moge hun goddeloosheid de onnatuurlijke dood brengen’, heet het in een van de gedichten van P.C. Hooft; en in het toneelstuk Crispyn en Crispiaan, bedriegers [1709] van H. van Halmael lezen wij: “Zo dat myn hand is, moet my de moord schennen” ‘als dat mijn hand is, moet de gewelddadige dood mij te gronde richten’. In al deze citaten gaat het om verwensingen. Als aan een bepaalde voorwaarde niet voldaan wordt, moet de dood het gevolg zijn. In genoemde periode komt ook de bastaardvloek by gans moort ‘bij de op God gepleegde moord’ voor. In het hedendaags Nederlands kennen wij nog ik wou dat je de moord stak ‘ik wenste dat je kapot, dood was’, en ook: steek de moord! ‘val dood, stik!’ Men moet uitgaan van steek je de (gloeiende) moord!, hetgeen letterlijk betekent ‘moge de dood je treffen’. Misschien is steken een verbastering van stikken en luidde de uitdrukking ‘je kunt stikken’. Huizinga (1997: nr. 6811) geeft nog een andere lezing. De verwensing kan verband houden met mortepaai ‘soldij, uitbetaald aan soldaten die alleen op de soldijlijst voorkomen of bij inspecties aanwezig zijn’. Tevens is het een benaming van soldaten die wel op de legerstaat voorkomen en waarvoor wel betaald wordt, maar die er in werkelijkheid niet zijn. Vooralsnog vind ik het erg gewaagd om te besluiten dat klankovereenstemming met morte- of mertepaai er de oorzaak van is geweest dat de verwensing steek de moord is ontstaan. Overigens komt de gevoelswaarde van de verwensing nog duidelijker tot haar recht door de toevoeging van een klankschilderende plaatsnaam: steek/stik de moord in Amersfoort! Zie Van Eijk (1978: 87). In het hedendaags Nederlands komt ook voor je kunt me de moord pruimen! ‘voor mijn part kun je doodvallen’. Samenstellingen die steek de moord! versterken zijn steek de rotmoord! en stik de klopmoord! dood.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Moord, van den Idg. wt. mor = sterven; ’t woord bet. dus oorspr. dood, later in het Germ.: geweldige dood, doodslag. Vgl. ’t Fr. mort = dood, en ’t Lat. mortuus = (de) doode.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

moord ‘doodslag met voorbedachten rade’ -> Negerhollands moord, mord ‘doodslag met voorbedachten rade’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † moro ‘doodslag met voorbedachten rade’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

moord* doodslag met voorbedachten rade 1260-1280 [CG II1 Nibel.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1550. Moord en brand schreeuwen (of roepen),

d.w.z. luid schreeuwen, erg te keer gaan; zich hevig beklagen (over een onrecht, enz.). Eertijds had deze uitdr. de beteekenis van dreigen met moord en brandstichtingVgl. mnl. mortbrant, moortbrant, heimelijke, verraderlijke, ook nachtelijke brandstichting; ook die met de bedoeling om daarbij menschen te doen omkomen; Mnl. Wdb. IV, 1961 en Stallaert II, 218., nagenoeg hetzelfde als het vroegere ten brande en ten zwaarde dreigen, - eischen, opeischen onder bedreiging met moord en brandstichting. Vgl. Vondel, Gijsbr. v. Aemst. vs. 184:

 Wat heeft men gift en gal gebraeckt en brant en moort
 Getiert en 't gansche jaer gescholden en gekreeten.

Zie verder Vondel's Maeghden, vs. 1690; het Ndl. Wdb. III, 1033; IX, 1107; Joos, 61; Antw. Idiot. 1093; 1906; Waasch Idiot. 444 b; en vgl. Halma, 360: Moord en brand roepen, crier au meurtre et au feu; zy schreeuwde moord en brand, elle crioit comme si on eût voulu l'égorger. In het Friesch: hy skreaut moart en brân; in Gron. moard over hoalstok schreeuwen (Moiema, 270 a); Villiers, 82; in Zuid-Nederland en in Limb. kent men in denzelfden zin: pen en inkt roepen, wat volgens het Waasch Idiot. 514 en Ndl. Wdb. VI, 1747 gezegd wordt van jankende honden, doch eigenlijk van een marskramer, die deze artikelen luide vent (zie Volkskunde XXIII, 165); hd. Mord und Brand schreien; eng. to cry murder.

1551. Hij weet van den moord,

d.w.z. de zaak (of het geheim) is hem bekend; hij weet er van; hetzelfde als: hij weet van den brand (ook in Waasch Idiot. 143). De uitdrukking komt sedert de 17de eeuw voor; zie o.a. Kluchtspel II, 176; Vondel, Bat. Gebr. vs. 1301; en vgl. Asselijn, 300: O, dat wijf het 'et al weg, se weet wis van de moort; Rusting, 592; C. Wildsch. IV, 194: Hij vreesde dat wij hem verdacht hielden dat hij van den moord geweten had; Sewel, 450: Hy kent de leus, hy weet van de moord, he understands the cant, he knows of the matter; 498: Hy weet van de moord, hij weet van de zaak; fri. nou kaem de moart ut, het geheim lekte uit, het ware van de zaak kwam aan den dag; Afrik. hy het van die heele moord niks geweet nie; vgl. het eng. the murder is out. Met Van Dale en Van LennepOok bij V. Effen I, 53 en Brieven van B. Wolff, 117: Ik weet nog zoo wat van de moord van Parijs; zie Ndl. Wdb. IX, 1106. te denken aan de Parijsche bloedbruiloft is niet noodig. Het znw. moord heeft uit zijne eerste beteekenis, die van bloedig feit, verschrikkelijke gebeurtenis, eene zaak in het algemeen ontwikkeld, evenals brand in de uitdr. hij weet van den brand en gearmd naar den brandNdl. Wdb. III, 1033-1034..

1552. Steek (of stik) de moord,

of je mag me de moord steken, ook stik de moord wil zeggen: loop naar den duivel, je kunt me de bout hachelen (zie no. 333), stik, krijg een ongeluk, of eene dergelijke ruwe verwensching. Het ww. steken heeft hier de bet. van slaan, treffen, waarmede het in vroegere geschriften afwisselt; 16de eeuw de moort die de perde slaet naast de tale (eene ziekte) die de verkene stect. De uitdr. wil dus eig. zeggen: de moord, de dood moge je treffen, slaan. In het mnl. komt van de moort gesteken reeds voor (zie Mnl. Wdb. VII, 2053); in de 16de eeuw als verwensching dat u de moort steken moet (moge); ook in 't passief ic wilde hij ware de moort gesteken (Everaert, 270). Door eene onjuiste opvatting van ‘iemand’ als onderwerp in de uitdr. iemand steke de moord kreeg de moord steken den zin van sterven. Dit geschiedde in de 16de eeuw blijkens Corn. Everaert, 537: Hy zoude my liever de moort steken waert myn man, eer ict verdrougheZie meer voorbeelden in Ndl. Wdb. IX, 1108.; vgl. verder Tuinman I, 319: Dus is 't een godlooze vloek: Dat u de moord steke, te weten de schielijke dood met zijnen pyl. Men zegt, Hij is de moord gesteken. Dat is kromtaal. In dezen zin is de zegsw. blijven voortleven in de ruwe volkstaal; zie Köster Henke, 46: de moord steken, om 't leven komen; steek de moord, krijg een ongeluk; O.K. 56: De moord zal jelui steken, misselijke jakhalzen; M. de Br. 209: Laat ze de moord steken; Landl. 123: Verrek jij, val dood, stik de moord; Diamst. 318: Steek de moord en lek me de maarsch (vgl. no. 604); Menschenw. 393; Jord. II, 128; Peet, 172; Nachtkr. 7; Grond. 335: O, daar hei je haar ook, dat akelig dier zal ook de moord steken; Slop, 89: Hij kon voor zijn part de moord stikke, die menheer!; Jord. 59: Stiek jei nau gauw de maurd! schreeuwde de koffiepikster terug; bl. 86: Met een giftig.... steik de maurd!.... liep ze 't winkeltje uit; V.d. Water, 109: steek de moord, loop naar de hel, naast steek de marinemoord. Afrik. Hy het die moord gesteek. Ook in Zuid-Nederland is bekend: ik wenschte dat hij de moord stake (De Bo, 712); zie verder Schuermans, 389In Prol. 16: ‘Met et hoog-zij (zie no. 1052) op, en 'n staande steek demoord om z'n magere hals’, wordt een ‘vadermoorder’ bedoeld.. Als variant komt in Noord-Nederland voor pruim de moord! je mag me de moord pruimen!

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut