Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

moor - (bewoner van Mauritanië, neger)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

Moor [bewoner van Mauritanië, neger] {in de persoonsnaam Gherard die Moor 1270} < frans Maure < latijn Maurus < grieks Mauros, van mauroun [donker maken].

Moriaan [Moor] {Moriaen 1287} < oudfrans morien [Moor] (vgl. Moor).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

moor 1 znw. m. ‘persoon’, mnl. moor m., evenals onfrank. os. ohd. mōr > Maurus ‘bewoner van NWAfrika’. Daaruit ook fra. more > ne. moor.

moriaen znw. m., mnl. moriaen > ofra. morien < lat. mauritanus. — Zie ook: moor 1.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

moor I (persoon), mnl. moor m. = onfr. ohd. môr (nhd. mohr), os. môr m. “Aethiops, Moor”. Uit lat. Maurus, evenals fr. more > eng. moor.

moriaan znw., mnl. moriaen m. Evenals mnd. moriân, eng. Morian uit ofr. morien (lat. Mauretânus; zie moor I).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

moor 1 m. (moriaan), gelijk Hgd. mohr, Fr. more, uit Lat. maurum (-us), van Gr. maurós = zwart, Moor.

moriaan m., uit dial. Fr. moriane, een afleid. van more = moor 1 (z.d.w.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1moor s.nw.
1. (met 'n hoofletter Moor) Moesliem van Arabiese en Berberse afkoms wat hoofsaaklik die noordwestelike gedeelte van Afrika bewoon. 2. Donkerkleurige persoon.
Uit Ndl. moor (al Mnl.).
Ndl. moor uit Latyn Maurus 'bewoner van N.Afrika' uit Grieks Mauros, met lg. uit mauroun 'donker maak'.

N. van der Sijs (bezorger) (2003), Uit Oost en West. Verklaring van 1000 woorden uit Nederlands-Indië van P.J. Veth (1889), met aanvullingen van H. Kern en F.P.H. Prick van Wely (1910), Amsterdam. Gebaseerd op: Uit Oost en West. Verklaring van eenige uitheemsche woorden van P.J. Veth uit 1889, recensie van het werk van Veth door H. Kern in De Indische Gids van 1889, en ‘Etymologisch aanhangsel’ (p. 297-350) uit het Viertalig aanvullend Hulpwoordenboek voor Groot-Nederland van Prick van Wely uit 1910

Moor, Moriaan [volkerennaam]. Moor komt van het Latijnse Maurus; de Mauri waren de bewoners van het noordwestelijk gedeelte van Afrika, dat tegenover Spanje ligt en thans door Marokko en Algerije wordt ingenomen. Door de Arabieren onderworpen en tot de islam bekeerd, smolten de Moren enigermate met hun overheersers tezamen, maar staken later het hoofd weer meer zelfstandig op, zodat de strijd die de christenen van Spanje en Portugal te voeren hadden om zich van hun moslimse, steeds uit Afrika ondersteunde, overheersers te bevrijden, veelal als een strijd tegen de Moren beschouwd wordt.

In hoofdzaak zijn de oude Mauri hetzelfde volk dat later door de Arabieren Berbers werd genoemd, een naam ontleend aan het oude, klassieke barbaren. In een nadere ontleding van de stammen die onder de namen Moren en Berbers worden begrepen, kan ik hier niet treden. Men zie het voortreffelijke artikel van prof. De Goeje over de Berbers, in De Gids van 1867, deel III, p. 13.

De naam van Moren kreeg bovendien in tweeërlei richting een uitbreiding. De donkere huidskleur van de Moren, ofschoon op verre na niet zo zwart als die van de negers, was oorzaak dat zij in de voorstelling van de Europeanen met de overige donkerkleurige en zwarte rassen van Afrika samensmolten en Moor of Moriaan als synoniem met Zwarte of Neger werd gebruikt. Vandaar in het Engels blackamoor; vandaar dat Othello ‘the Moor of Venice’ heet; vandaar onze spreekwijze ‘de Moriaan wassen’ of ‘schuren’ voor vergeefs werk doen. Speciaal wordt nog in de Statenvertaling van de bijbel de naam van Moren gegeven aan de Cuschieten of Ethiopiërs, een vanouds beroemde zwarte of donkerkleurige natie, wier rijk zich over het tegenwoordige Nubië en Abessinië uitstrekte.

De tweede uitbreiding van het gebruik van de naam Moor had haar oorsprong niet zozeer in overeenkomst van huidskleur, maar in overeenkomst van belijdenis. De Moren, met wie de bewoners van het Iberisch schiereiland eeuwenlang in oorlog hadden geleefd, waren niet alleen vijanden van hun vrijheid maar ook van hun godsdienst. De Spanjaarden en Portugezen streden voor het Kruis tegen de Halve Maan. Toen hun ontdekkingstochten hen naar Malabar en Koromandel voerden, vonden zij ook daar een groot aantal belijders van de islam, op wie ze de naam van Moros of Moren overbrachten, en van de Portugezen leerden ook de Nederlanders het gebruik om de Indische mohammedanen Mooren te noemen. Zo zegt bijvoorbeeld Valentijn, ‘Choromandel’, p. 108: ‘Behalve de Heydenen heeft men hier te lande ook zeer veel Mooren of Mohammedanen, die mettertijd ook meesters van het land geworden zijn.’ Maar dit gebuik werd door ons hoofdzakelijk beperkt tot de moslims van het vasteland van Indië. Vergelijk Pijnappel, Geographie van Nederlandsch-Indië, tweede druk, p. 59. Zo is het althans in onze dagen, maar bij vroegere schrijvers werd ook wat op Java mohammedaans is niet zelden Moorsch genoemd. Zo leest men bijvoorbeeld in Batavia in derzelver gelegenheid, deel I, p. 19, van de Moorsche landvoogd van Japara; p. 22, van de Moorsche lijfwacht van de Soesoehoenan, in tegenstelling tot de Europese wacht hem toegevoegd; p. 23 van de Moorsche tempel (dat is de moskee) van Toeban, enz. Doch van de Javanen als Moren te spreken, is thans geheel in onbruik geraakt. [V]

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

moor. In de 16de en 17de eeuw komt de bastaardvloek gans moren ‘bij alle Spanjaarden’ voor. Uit angst voor vreemden nam men juist zijn toevlucht tot het gebruik van hun naam in eedformules om te getuigen dat men de waarheid sprak. → Britten, Fransoys, Turk.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Moor of Moriaan van ’t Lat. maurus, van ’t Gr. mauros = zwart, ’t Land der Mooren heette Mauretanië.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

moor ‘bewoner van Mauritanië, neger; donker paard; oude muntnaam’ -> Engels † morkin ‘muntnaam’; Frans dialect † morquin; mourequin ‘donker paard; kleine munt’; Indonesisch Mur ‘mohammedaan van Noord-Afrika en Spanje’; Negerhollands Moor ‘bewoner van Mauritanië, neger’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

Moriaantje zo zwart als roet [liedregel] (1848). W.P. Razoux (1808-?) publiceerde in 1848 Een aardig prentenboek met leerzame vertellingen. Hierin staat de berijmde vertelling ‘De geschiedenis van de zwarte jongens’, die als volgt begint: “Een moriaan, zo zwart als roet, / Ging eenmaal wand’len, zonder hoed, / De zon, die scheen hem op zijn’ bol, / Daarom nam hij een parasol”. In het latere kinderliedje is de moriaan (‘moor’) veranderd in een meisje, Moriaantje geheten: “Moriaantje zo zwart als roet / ging uit wandelen zonder hoed. / En de zon scheen op haar bolletje / daarom droeg zij een parasolletje.” Razoux’ boek was overigens een bewerking van het zeer bekende Duitse kinderboek Der Struwwelpeter van Heinrich Hoffmann.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1556. Het is den Moriaan gewasschen (of geschuurd),

d.i. vergeefsche moeite gedaan, hetzelfde alsof men een Moriaan zou willen blank wasschen of schuren. Dat dit gezegde in de middeleeuwen (± 1400) bekend is geweest, blijkt uit de Tafel van den kersten ghelove van Dirc van Delf, fol. 125 c: Of mit ghewoenten daer in bliven, als die moerman in sinen swarten velle, hoe veel dat men oec wascht Tijdschr. XXII, 19 en vgl. Jerem. XIII, 23). In de 17de eeuw was de zegswijze naast den Moor wasschen, zeepen of den Moorman zeepen, vrij gewoon; zie Westerbaen II, 457:

 So ick my suyver en myn pad soeck schoon te maecken
 En my 't onschuldigen schuyr ick de mooriaen
 En doe vergeefse moeyt'.

Vgl. verder Huygens, Kost. Mal 223; Sewel, 190: Hooi dorschen, den moriaan schuuren, to trash hay, to do a fruitless work; Halma, 361; C. Wildsch. V, 269; Harrebomée II, 102 a en III, 298-299; Ndl. Wdb. IX, 1101; 1144; Joos, 98; De Bo, 711 b: den Moor wasschen; en vgl. het gri. πλινθονς πλυνειν; lat. laterem (tichelsteen) lavare (vgl. eene brik wasschen; De Brune, 212); syn. den kassijsteen knedenNdl. Wdb. VII, 1737.; Aethiopem albare (Wander III, 993); fr. à laver la tête d'un Maure on y perd sa lessivel. on perd sa lessive.; eng. to wash a blackamoor (or an Ethiopian) white. Syn. was in de 17de eeuw: water dorschen (o.a. Vierl. bl. 252; vgl. fr. battre l'eau).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut