Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

mooi - (fraai)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

mooi bn. ‘fraai’
Onl. als toenaam van Olricus Moye [1153; Debrabandere 2003]; mnl. in de afleiding moyaert ‘pronker’ als toenaam van henric moiard [1288; VMNW], dan ook mnl. moy, mooy, misschien al in het toponiem de moihe ‘De Mooie (mooi stuk land)’ [1290; VMNW] en/of in de toenaam van Arnout de moy ‘... de fraai geklede’ [1291; VMNW], maar in elk geval in sinen wive, Die moye was ‘zijn vrouw, die mooi was’ [1300-25; MNW-R], Waer omme cleetstu di zo moy ‘waarom kleed je je zo fraai?’ [1350-1400; MNW-R], In moyen clederen ‘in fraaie kleren’ [1400-20; MNW-R]; vnnl. moy clare lucht ‘mooie heldere lucht’ [1598; WNT].
Herkomst onbekend. Het woord komt niet voor in de andere Germaanse talen. De Oud- en Middelnederlandse attestaties komen alle uit het Zuid-Westelijk taalgebied (Zeeland, Oost- en West-Vlaanderen). NEW overweegt een grondvorm pgm. *mauja- en zoekt verband met → modder en verklaart de betekenis uit ‘gewassen, rein’ < ‘bevochtigd’. Ontlening aan Spaans muy ‘zeer, heel’, bijv. als verkorting van muy bien ‘zeer goed/mooi’ (Geers 1931) is zeer onwaarschijnlijk gezien de hoge leeftijd van het Nederlandse woord. Het woord is wrsch. wel ontleend, maar onbekend is aan welke (voor-Indo-Europese?) taal.
Mnd. alleen in de afleiding mojerdie ‘pronk, zotternij’; nfri. moai ‘mooi’ en nnd. moi ‘id.’ zijn wrsch. ontleend aan het Nederlands.
In de Zuid-Nederlandse dialecten, met uitzondering van het Frans-Vlaams, is mooi verdrongen door het synoniem → schoon 1.
Lit.: G.J. Geers (1931), ‘Relaties tusschen Nederlandsch en Spaansch’, in: Handelingen van het veertiende Nederlandsche Philologencongres, Groningen, 43-45

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

mooi [fraai, bevallig] {mo(o)y 1350} komt behalve in nl. en oostfries niet voor, etymologie onzeker.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

mooi bnw., mnl. moy, mnd. moie, moi. Voor dit zo beperkt voorkomende woord aanknopingen in het idg. te vinden is moeilijk. Gaat men uit van germ. grondvorm *mauja-, dan zou men kunnen aanknopen aan de groep van modder. Daartoe geeft een zeker recht, dat hiertoe ook behoort lat. mundus ‘mooi, rein’, dat eig. ‘gewassen’ is, vgl. ook gr. kypr. mulásasthai ‘zich wassen’, opr. aumūsnan ‘afwassing’, osl. myją, myti ‘wassen, spoelen’, miers muaḍ ‘zuiver, trots’. Uit een grondbet. ‘vochtig, bevochtigen’ ontstonden die van ‘vuil’ en van ‘gewassen, rein’.

Nl. mooi of nd. moy gebruikt van het weer > nhd. moy (sedert 1747 bekend, vgl. Kluge, Seemannssprache 580). — Het woord reikt tot aan Sleeswijk-Holstein en in het Eemsland tot aan Oldenburg, mogelijk door nl. kolonisten daarheen overgebracht, zoals ook het geval is met het westpruisische moj (vgl. Mitzka, Album Blancquaert 1958, 219). Maar eerder zal men moeten denken aan een expansie van Nederland uit (vgl. kaart 18 bij W. Foerste, Bijdr. en Med. Dial. Comm. 1955).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

mooi bnw., mnl. mō̆y. - mnd. môi(e) “mooi”. Uit *mauja-, Een bevredigende etymologie ontbreekt.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

mooi, is een specifiek noordndl. woord. Het zal verwant zijn met obg. myti ‘wassen, spoelen’, lett. maût ‘zwemmen, onderduiken’; van een verlengde basis lit. máudyti ‘baden’, waarbij mnd. mûten ‘het gezicht wassen, zich opknappen’. Zie verder bij modder. Germ. *mauja- dus ospr. = ‘gewassen’, dan ‘netjes, mooi’; vgl. lat. mundus ‘zindelijk, net, fijn, smaakvol’, dat van dezelfde basis is afgeleid, en lat. lautus ‘prachtig, voornaam’ bij lavo ‘ik was’. v.Wijk KZ. 48, 156 vlg. (Niet wsch. ontlening uit spa. muy ‘zeer’, als vermoeden geopperd door Geers Hand. 14e Philologencongres 44. — Evenmin de met stelligheid door Tiecke Taaltuin 2, 267 aangenomen combinatie met got. mawi, gen. maujos v. ‘meisje’.)

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

mooi bijv., Mnl. moi + Ndd. en Oostfri. id.: oorspr. onbek.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

1mooi b.nw.
1. Keurig in voorkoms. 2. Welgevorm, bevallig, aantreklik. 3. Wat behaag deur rykdom, sierlik. 4. Uitstekend. 5. Aangenaam. 6. Vermaaklik. 7. Wat goed, uitnemend is. 8. Gunstig, wat iets goeds beloof. 9. Groot. 10. Goed.
Uit Ndl. mooi (Mnl. mooy, moy). Eerste optekening in vroeë Afr. op 8 April 1711 in die aanhaling "mooi en handsaam weer" (Resolusies van die Politieke Raad, C.28).
Die woord kom, behalwe in Afr., slegs in Ndl. en Oosfries voor. Die verdere etimologie daarvan is onseker.
Vanuit vroeë Afr. in S.A.Eng. (1797).

2mooi tw.
Uitroep van goedkeuring of bewondering.
Afleiding van mooi (1mooi).
Vanuit vroeë Afr. in S.A.Eng. (1812).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

mooi: mooi boy van Dada (de), ’moeders mooiste’; playboy. Hello*, mooi-boy van Dâda (Helman 1954a: 16). - Etym.: S moi boi foe Dada = id. S Dada is een oude moedernaam (Helman 1954b: 92), nu de aanspreekvorm voor ’tante’ (Woordenl. SNE).
— : mooi groeten (groette, heeft gegroet), beleefd, netjes groeten. Als m’n man me wegjaagt, dan groet ik hem mooi dag. Dan ga ik weg (). Zonder man kan ik ook blijven* (Doelwijt 1971: 15). Groet tante mooi. - Zie ook: groeten*.
— : mooi zijn (was, is geweest), (ironisch) een ’mooie’ zijn, een ’mooierd’ zijn, mooi doen. Die awara’s* kun je voor* die kinderen verdelen, het stukje kabbes* kun je zelf zuurgoed* van maken. - Je bent mooi, heb je dan ook azijn bij gedaan? (C. Ooft 47).
— : zie Mooi Missie*, mooi oogje* maken.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?,

Mooi bnw., Segsw.: Mooi van lelikheid, gesê van iemand wat buitengewoon lelik is. Op dieselfde manier word in Afrikaans gesê sleg van goedheid (reeds Changuion & 155, IV, voetnoot: “Er is voor mij iets naïfs en bijzonder nadrukkelijks in de Kaapsche spreekwijs: Hy is zoo maar slecht van goedheid). Dié naiweteit skyn egter nie alleen aan Afrikaans eie te wees nie, wanneer ons let op Boekoogen II, 4: Het is mooi van leelijkheid.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

mooi ‘fraai, bevallig; gunstig (van weer)’ -> Fries moai ‘fraai, bevallig’; Vastelands-Noord-Fries mooi ‘fraai, bevallig’; Schots † moy ‘stemmig; gemaakt; stijf; gedwee’; Duits dialect moi, mooi ‘fraai’; Deens † moj ‘fraai, bevallig; gunstig (van weer)’; Zweeds moj ‘weinig kracht hebbend m.b.t. wind; (verouderd, over personen) rustig zijn’ (uit Nederlands of Nederduits); Zuid-Afrikaans-Engels mooi ‘fraai, bevallig, aangenaam’ ; Menadonees moi ‘fraai, bevallig’; Negerhollands mooi, mōi, mui, mooj ‘fraai, bevallig’; Berbice-Nederlands moi ‘fraai, bevallig’; Skepi-Nederlands moi ‘fraai, bevallig’; Sranantongo moimoi ‘opschik, versiering’; Sranantongo moi ‘aardig, bevallig, fraai’; Aucaans moi ‘fraai, bevallig’; Saramakkaans moi ‘zacht’; Sarnami moi ‘fraai, bevallig’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

mooi fraai, bevallig 1350 [MNW] <?

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

28. Aap, wat heb je mooie jongen!

‘Woorden aan iemand in den mond gelegd, die tegenover een persoon voor wien hij bevreesd is en dien hij in zijn hart verfoeit, van den nood eene deugd maakt, door hem te vleien, teneinde hem daardoor in een goed humeur te brengen’ (Ndl. Wdb. I, 527); ook in 't algemeen van iemand, die een ander flikflooit.

Deze woorden zijn ontleend aan Reynaert II, 6543 vlgg., waar verteld wordt hoe Reynaert in het hol van een afschuwelijke aap en hare jongen kwam, en, ofschoon hij van plan was ‘twaer te segghen’, de vrees hem zoo bekroop, dat hij van den nood eene deugd maakte en

most vertiden
 ende metten hoop, die daer lach, liden.

Om ze voor zich te winnen begint hij haar te vleien en aldus aan te spreken:

god, diet wel doen mach,
 moeie, die gheef u goeden dach,
 ende uwen kindern, minen maghen!
 het sijn die scoonste van haren daghen,
 die ic ie ghesach verre ofte nabi.
 deus, hoe wel behaghen si mi!
 hoe lieflic sijn si ende hoe scone!
 elc mocht mit eren eens coninx sone
 wesen. wi moghen u loven mit recht,
 dat ghi dus meerret ons gheslecht.
 ic had grote bliscap ghedreven,
 had ic gheweten van desen neven:
 want het is een troostelic toetiden;
 ic en mochts niet langher liden,
 doe ic hoorde waer ghi waert gheleghen,
 ic en moste tot u comen pleghen:
 mi waer leet, ic en had vernomen.

Eerst in de 17de eeuw trof ik deze zegswijze aan bij Coster, 236 vs. 259:

 Een groote wort wel meer zo veer door noot ghedronghen
 Dat hy om baat zeyt, Aap wat hebt ghy schoonder Jongen.

Ook bij J.S. Colm, Battaefsche Vrienden-Spieghel wt levender Jonste, Amsterdam 1615, vindt men bl. 17: Speel: Ay lieve Aep! wat hebje schoone jonghen; bij Winschooten, 3: Aap wat hebt gij schoonder Jongen, dit is een soort spotternij: als of men iemand die leelyke Jongen, of Kinderen hadde prees, van weegen haar schoonheid, eeven gelyk men seid: Schipper wat een mooj Wijf hebje. Vgl. verder Mergh. 1: Aap wat schoonder jongen hebt ghy; Tuinman I, 89; Sewel, 20; V. Janus I, 312; Slop, 151; Amsterdammer 4 Januari 1914 p. 1 k. 5; Het Volk 15 Juni 1914 p. 7 k. 1; Nkr. III. 5 Dec. p. 2; Harreb. I, 3 b. In Duitsche dialecten komt de zegswijze in eenigszins anderen vorm voor, zooals: aap, wat hest du moje Jungen; Aap, wat hest du wakkere Kinder; Aap, wat hest du wakkere Kinner; Ap, wat häst wacker Kinner; zie Eckart, 6; Taalgids IV, 241, waar ook vermeld wordt, dat men in Groningen zegt: oap, wat bist 'n mooie jong! In het fri. aep! hewt hestou moaye jongen!

1549. Die mooi wil wezen, moet pijn lijden,

d.w.z. pronkzucht, ijdelheid in kleeding baart last; nauwsluitende kleederen toch zijn knellend voor het lichaam (Taalgids IV, 257). Eene sedert de 17de eeuw uitgedrukte meening; zie Gew. Weeuw. III, 30: Ik troost my met de Spreuk, mooy weezen, moet zeer doen; Sewel, 498: Mooi moet pyn lyden, one must suffer some pains for being finely drest; Harreb. II, 75 a: Die mooi wil wezen, moet pijn lijden, zei de meid, en zij spelde hare muts aan de ooren vast. Ook in het Friesch: dy 't moai wêze wol moat pine útstean; in Gron. dei mooi wezen wil mout pien lieden (Molema, 269); in Antw. hooveerdij moet pijn lij(d)en (zie Antw. Idiot. 575); Land v. Waas: hooveerdig moet pijn lijden; nd. Hoffart mut Pîn lîden (Wander II, 715); Haufart mot Dwank lihen (in Jahrb. 38, 158); wer glant (schön) will sîn, mut lîden Pîn (Eckart, 158).

2385. Vet zijn met iets.

Spottenderwijs zegt men dit van iets, waarvan men geen voordeel of baat heeft; er niet mee geholpen zijn; syn. van er mooi mee zijn en het dial. er dik uit zijn, goed af zijn, in zeer gunstige positie gekomen zijn (Molema, 75); vgl. Gron. 164: Brummen gaat over, maar jij hebt net zoo goed kans, omdat je oom lid is van de schoolcommissie. - Nou, daar ben ik vet mee, dat heb je gezien in de eerste klas! S. en S. 58: Toe kreeg ik vier jaar. Had je toen 'n verdediger Snok? Nou, daar ben je vet mee; Antw. Idiot. 1363: me(t) iet vet zijn, er niet mee gebaat zijn, er geen voordeel van hebben; De Bo, 1318: ergens vet meê zijn, spottende gezeid voor er niet veel meê versteven zijn; Schuermans, 808: vet met iets zijn, met spot of twijfeling gezegd: wel met iets zijn; Tuerlinckx, 691. Vgl. ook het fr. en serez-vous plus gras, zoudt ge er beter aan toe zijn? In Noord-Holland beteekent vet raken, uit den dienst ontslagen worden (van dienstbodenDe Vries, 106.). Vgl. in Antw. Idiot. 1469: Zalig zijn met iemand of iet, er niet mee beholpen zijn.

2541. Mooi weer spelen,

d.w.z. rijkelijk leven; vriendelijk, onderdanig zijn; eig. evenals het mooie weer vriendelijk, vroolijk zijn; en vandaar: zijn hart ophalen, pret maken (vgl. goede sier maken). Winschooten, 352 verklaart het door: ‘vioolen laaten sorgen, sijn hart ophaalen, optrekken, ligtmissen’, eene bet. die de uitdr. heeft bij Coster, 177, vs. 804; Breughel, 17 r: Ic rade dat wy daer henen gaen sullen; daerna wy smullen en spelen moy weer; Hooft, Hendr. de Groote, 134; Vondel, Jos. in Dothan, 963; Huygens, Korenbl. II, 286: Pier spilt al wat hy heeft, en speelt niet als moy weer; R. Ansloo, Poezy, 110; Tuinman I, 36: Kermis houden, of mooi weêr speelen; bl. 102: ‘goed cier maken door teeren en smeeren’, waaraan de volgende verklaring wordt toegevoegd: wanneer 't mooi weêr is, vaaren of ryden zommige met schuiten of wagens uit spelen, om zich te verlustigen en vermaaken; en dan moet ook de koude keuken en wynkelder niet bekrompen mede’. Zie verder C. Wildsch. IV, 237; Halma, 774; Sewel, 945; Molema, 577; Harreb. II, 443; Ndl. Wdb. IX, 1095; Wander IV, 708; V, 217 en vgl. het fri. hy spilet moai waer fen in oar syn jild; oostfri.: môi wër mit êmand spölen, ihm angenehme u. heitere Dinge vorspiegeln (Ten Doornk. Koolm. III, 537 b); in Zuid-Nederland: schoo(n) weer spelen met andersmans geld (Waasch Idiot. 581; Antw. Idiot. 1086). Vgl. no. 260.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut