Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

mono- - (alleen-, uit een enkel onderdeel bestaand of op één persoon betrekking hebbend)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

mono- voorv. ‘alleen-, uit een enkel onderdeel bestaand of op één persoon betrekking hebbend’
Vnnl. monopolie ‘(recht van) alleenverkoop’ [1549; WNT collusie]; nnl. monogamie ‘enkelvoudig huwelijk’, monoloog ‘alleenspraak’, monopolie ‘alleenhandel’, monotoon ‘eentonig’ [alle 1824 of 1832; Weiland], monolith ‘kunstvoorwerp uit één stuk steen’ [1847; Kramers].
Internationaal voorvoegsel, gebaseerd op Grieks mónos ‘alleen, enig, eenzaam’.
Grieks mónos is verwant met: Armeens manr ‘klein, dun’; Oudiers mend ‘klein’; Welsh di-fanw ‘onbeduidend’; < pie. *men-wo-, *mon-wo- (IEW 728).
De oudste woorden met mono- zijn in hun geheel ontleend, al dan niet via het Latijn, aan het Grieks, bijv. monopṓlion ‘recht van alleenverkoop’ (bij pōleĩn ‘verkopen’), monógrammon ‘figuur van samengestelde lettertekens’, monólithos ‘uit één steen’. Sinds de 17e eeuw is mono- ook in de moderne talen een productief voorvoegsel in wetenschappelijke termen, en soms ook in algemeen taalgebruik, bijv. in monokini [1970; Soester Courant].

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

mono- (Grieks mono-)

P.H. van Laer (1949), Vreemde woorden in de natuurkunde, Groningen/Batavia.

Mono- (Gr. μόνος (monos) = alleen). Eerste lid in samenstellingen met de betekenissen: enkelvoudig, enkel-, één-. Als het tweede lid van de samenstelling van een Latijns woord is afgeleid verdient het Latijnse → uni- de voorkeur boven mono-; b.v. uni- moleculair of univalent boven monomoleculair of monovalent.

T. Pluim (1922), Wetenswaardig allerlei: bijdragen tot algemeene kennis voor studeerenden bijeenverzameld door T. Pluim, Groningen

Mono (Gr. monos = één) in samenstellingen: één, alleen; bijv.: monoloog = alleenspraak (dialoog = tweespraak, tweegesprek); monopolie = alleenhandel, alleenverkoop; monotheismus = vereering van één God; monotoon = ééntonig; monocotylen = éénzaadlobbigen (dicotylen = tweezaadlobbigen); monandria = éénhelmigen (poly-andria = veelhelmigen); monadelphia = eenbroederigen (diadelphia = tweebroederigen); monogamie = huwelijk met één vrouw (polygamie = veelwijverij); monocle = één oog, bril met één glas; monographie: verhandeling over één onderdeel van een wetenschap.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal