Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

monnik - (mannelijke kloosterling)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

monnik zn. ‘mannelijke kloosterling’
Onl. monik ‘monnik’ in de Friese plaatsnamen Monicesloe [ca. 890; Künzel] en Munihchusen [893; Künzel]; mnl. monech [1240; Bern.], monek [1265-70; VMNW], monke [1280-90; VMNW], monneke (mv.) [1340-60; MNW-P], monniken (mv.) [1432; MNW-R].
Ontleend aan Laatlatijn monicus ‘monnik’, een variant van monachus ‘monnik, kluizenaar’, dat ontleend is aan Grieks monakhós ‘id.’, het zelfstandig gebruikte bn. voor ‘alleen, afzonderlijk’, een afleiding van mónos ‘alleen, uniek’, zie → mono-. De hieruit ontstane vorm monec was in het Middelnederlands nog heel gewoon. Daarnaast kon uit de oude genitief *monekes door verzwakking *monkes ontstaan. De gesloten lettergreep mon- werd vervolgens gegeneraliseerd tot het hele paradigma, wat leidde tot de nevenvorm mnl. monc, monnek, monnic en tot de huidige vorm monnik. Daarnaast bestonden umlautsvormen zoals mnl. muenk(e) [1291; VMNW].
Evenzo ontleend zijn, gedeeltelijk met umlaut: ohd. munih (nhd. Mönch); ofri. munek, munik, monek, monik (nfri. mûnts, muonts); oe. munuc, munec (ne. monk); on. munki, munkr (nzw. munk).
De naam monnik werd het eerst gegeven aan christenen die zich als kluizenaar terugtrokken en eenzaam gingen leven. Later ging de naam over op de individuele leden van groepen die afgescheiden van de wereld leefden.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

monnik [kloosterling] {in de vroegere Friese plaatsnaam Monicesloe <ca. 890>, monic, mon(e)c, mun(i)c 1201-1250} < vulgair latijn ∗monicus < chr. latijn monachus [idem, heremiet] < grieks monachos [alleen, op zichzelf], van monos [alleen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

monnik znw. n., mnl. mōnic, munic, monc, moenc, mnd. mōnik, monk, monnik, monnink, ohd. munih (nhd. münch), ofri. munik, monik (ook -ek, -ink), oe. munuc (ne. monk), on. munkr. — < mlat. monicus (vgl. ook ofra. monie, nfra. moine) bijvorm van monachus > gr. mónachos ‘kluizenaar’.

De vorm monnik zal wel teruggaan op monk, die uit de verbogen naamvallen kan zijn geabstraheerd. — Uit het germ. zijn afkomstig osl. mŭnichŭ, fins. munkki, estn. munk, lett. muks.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

monnik znw., mnl. mōnic, mȫnic, monc, munc, monnic (-inc) m. De vorm monnic is wsch. uit monc ontstaan; wellicht was deze stamvorm klankwettig in de casus met uitgang: mon-kes e.dgl.; ȫ-vormen bestaan nog dial. Evenals ohd. munih (hh, nhd. mönch), mnd. mōnik (-ek), monk, monnik (-ek, -ink), ofri. munik, monik (-ek, -ink), ags. munuc (met substitutie van -uc; vgl. persoc < persicum; eng. monk), on. munkr m. “monnik” ontl. uit rom. *monacu, *monicu (lat. monachus < gr. mónakhos “monnik”, waarvan o.a. ook fr. moine, ier. manach “monnik”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

monnik m., Mnl. monnic, monec, gelijk Hgd. mönch, Eng. monch, Fr. moine, enz. uit Gr.-Lat. monachum (-us) = kluizenaar, naar Gr. mónakhos = eenzame, afgel. van Gr. mónos = alleen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

monnik s.nw.
Man wat volgens sy geloof hom in 'n klooster van die wêreld afsonder.
Uit Ndl. monnik (al Mnl.). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
Ndl. monnik uit Middeleeuse Latyn monicus uit Latyn monachus uit Grieks monachos 'enkel, eensaam', 'n afleiding van monos 'alleen'.
D. Mönch (8ste eeu), Eng. monk (900).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

monnik: kloosterling; Ndl. monnik (Mnl. mōnic/munic/mo(e)nc), Hd. mönch, Eng. monk via Ll. monicus/monachus uit Lgr. monaχos, (b.nw.), “enkel, eensaam” (monos, “alleen”).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

monnik (Latijn monicus)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Monnik, van ’t Lat. monachus = kluizenaar, van ’t Gr. monachos = eenzame, afl. van monos = alleen; vgl. monoloog = alleenspraak.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

monnik ‘kloosterling’ -> Deens munk ‘kloosterling; (vogel) zwartkop’ (uit Nederlands of Nederduits); Ests munk ‘kloosterling’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

monnik kloosterling 0890 [Claes] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

42. Zoo de abt, zoo de monniken,

d.i. zoo heer, zoo knecht; zoo de heer is, zoo is de dienaar. Bij Campen, 87: Sulcken Abt, sulcke Monnicken. Vgl. verder Sewel, 22: Zo den abt is, zo zyn de monnikken, like the abbot is, so are the monks; Halma, 15: Zoo de Abt is, zoo zijn de Monniken. Spreekw. De een is als de ander, tel Abbé, tels Moines; Harreb. I, 9 b. In het hd. zegt men: wie der Abt singt, so antworten die Mönche; fr. le moine répond comme l'abbé chante; eng. like abbot like monk.

1547. Gelijke monniken, gelijke kappen,

d.w.z. menschen van eene soort hebben dezelfde eigenschappen of rechten; ook bij het verdeelen van iets: menschen met gelijke rechten maken aanspraak op gelijke deelen. Zie Campen, 112: Gelycke Monnicken draegen gelycke cappen; Sartorius I, 5, 75: Gelijcke Moniken gelijcke kappen; ook Sart. II, 1, 15; 10, 35. Zie verder Spieghel, 284; Tuinman I, 27; Harreb. I, 381 a; III, 246 a; Het Volk, 11 Juni 1914, p. 2 k. 1: Maar een havenpotentaatje dwingen zijn door hem zelf onderteekend kontrakt na te komen en de arbeider vrijlaten in de overtreding, dat is onbillijk. ‘Gelijke monniken, gelijke kappen’, heette het; Schoolblad, XLIII, 1789: Niet enkel gelijkstelling van ons (Katholiek) onderwijs met het openbare moet onze leus zijn. Daar moet ook komen een gelijkstelling van alle onderwijzers, die hun liefde verpand hebben aan ons Katholieke onderwijs. Gelijke monniken, gelijke kappen. Vgl. hd. gleiche Brüder, gleiche Kappen.

1548. Monnikenwerk,

d.w.z. vergeefsche arbeid, die veel geduld en tijd vereischt; noodelooze moeite, ‘dewijl de Monniken, in oude tijden, tot zekeren arbeid, hoe weinig die ook beteekende, verpligt waren, om niet ledig te zijn, al ware het ook, dat zij den volgenden dag vernietigden, hetgeen zij den vorigen gemaakt hadden’ (Weiland). Zie Kiliaen, 406: Muncks werck doen. Adag. Penelopes telam texere; inanem operam sumere; Servilius, 123: Monincs werck doen; Winschooten, 6: Het Varken de keel afsteeken, en dan laaten leggen beteekende eeven soo veel, als, een Breemer sijn, en Munniken werk doen; Smetius, 96: Monickenarbeijt, cum actum agitur; quod factum est mutatur et corrigitur, quod Monachi idem semper otiose agunt in sacris suis; Tuinman I, 29, die als beteekenis opgeeft: ‘een werk verrichten, dat niet deugt; noodeloozen of verhoetelden arbeid doen’; Tuinman II, 167; 232; C. Wildsch. III, 169; VI, 221; Br. v. Abr. Bl. I, 211: Hy, dien gy des een kwaaden naam geeft, zal immers weinig moeite neemen, om dien te herinneren, zo hy ten minsten overtuigd is, dat gy het by 't rechte eind hebt: wel overtuigd, dat het toch maar Munniken werk is; en dat hy maar aan den ouden brug arbeidSewel, 147: Aan de oude brug werken, werk doen daar geen eer mede te behaalen is., - zo als wy Amsteldammers dat noemen; V. Janus I, 290: Munnikken werk is uw dagelijksche arbeid, en gij hebt nooit gedaan, omdat gij altijd weder van voren af aan begint; Diamst. 114: 't Helpt geen verdommenis. 't Is monnikewerk; Dievenp. 58: Och! om u dat allemaal te vertellen dat is monnikenwerk; Ndl. Wdb. IX, 1079; nd. dat es Mönkearbeid (faule Arbeit; Eckart, 367). In het fr. zegt men: un travail de bénédictinl. de Bénédictin, qui a demandé de longues et patientes recherches.; in Zuid-Nederland ook wel een Benediktijner werk. Zie Ter Gouw, Volksvermaken, 685; Stellwagen, Roomsche Woorden, 87.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut