Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

mond - (ingang van het spijsverteringskanaal)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

mond zn. ‘ingang van het spijsverteringskanaal’
Onl. munt ‘riviermonding’ in de toponiemen Datmunda [698-699, kopie 1191; Künzel, 106], Masamuda (met Noordzee-Germaanse -ū- < -un-) [772-776, kopie 1170-75; Künzel, 244], munt ‘mond’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. mont [1240; Bern.].
Os. mūth (mnd. munt, mont); ohd. mund (nhd. Mund); ofri. mūth, naast ontleend mund, mond (nfri. mûn ‘opening’); oe. mūþ (ne. mouth); on. múþr, múðr, munnr (nzw. mun); got. munþs; < pgm. *munþa-.
Wrsch. verwant met: Latijn mentum ‘kin’; Welsh mant ‘kaak, kinnebak’; < pie. *mn-to-, afleiding van de wortel *men- ‘uitsteeksel’, zie → monteren. De -þ- in het Proto-Germaans is opmerkelijk, aangezien men uit pie. *mn-tó- (nultrap draagt geen klemtoon) door grammatische wisseling een stemhebbende fricatief, ofwel pgm. *-d- zou verwachten.
De Noordzee-Germaanse uitval van de -n- (met compensatierekking u > ū) komt in de Nederlandse en Belgische kuststreek voor in diverse toponiemen, bijv. Diksmuide, Arnemuiden, Muiden, IJsselmuiden (en naar analogie 19e-eeuws IJmuiden). Door syncope van intervocalische -d- ontstond in hetzelfde gebied het woord mui ‘stroomgeul tussen zandbanken langs het strand’ [1868; iWNT], eerder al in de samenstelling trekmui ‘id.’ [ca. 1850; iWNT trekken] (zo genoemd vanwege de sterke getijdestroming in zo'n geul).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

mond* [holte achter de lippen] {in de vroegere Noord-Brabantse plaatsnaam Datmunda <698-699>, oudnederlands munt 901-1000, middelnederlands mont} oudhoogduits mund, gotisch munþs en zonder nasaal oudsaksisch, fries muth, oudengels mūð, oudnoors muðr, (< munnr); buiten het germ. latijn mentum [kin], welsh mant [kinnebak] → mui. De uitdrukking met de mond vol tanden staan [geen woord kunnen uitbrengen] wil zeggen wel tanden hebben, maar geen tong.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

mond znw. m., mnl. mont m. v., onfrank. munt, os. mūth, ohd. mund, ofri. mūth, oe. mūð (ne. mouth), on. munnr, muðr, got. munþs. — De ‘inguaeoonse’ vormen kenmerken zich door uitval van de nasaal en rekking van de klinker, vgl. daarvoor nog: mui en plaatsnamen als Muiden, IJselmuiden. — lat. mentum ‘kin’, kymr. mant ‘kaak’, dus beperkt tot germ.-kelt.-italisch.

Verband met de idg. wt. menth ‘kauwen’, vgl. gr. masáomai ( < *mṇth- i̭ā) ‘kauwen’, mástaks v. ‘mond’, lat. mando ‘kauwen’ (IEW 732-733) is weinig waarschijnlijk; eerder tot de wt. *men ‘vooruitsteken’, vgl. lat. ēminēre uitsteken’, mons ‘berg’. — Bij lichaamsdelen vinden wij meermalen, dat het zelfde woord verschillende betekenissen heeft; hier mogen wij wellicht uitgaan van ‘kin’, wat dan verder over ‘kaak’ tot ‘mond’ voerde.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

mond znw., mnl. mont (d) m. (v.). = onfr. munt (d), ohd. (nhd.) mund, os. mûth, ofri. mûth (mund), ags. mûð (eng. mouth), on. muðr (*munnr), got. munþs m. “mond”. Met ofri. mûth vgl. nog eigennamen als Muiden, IJselmuiden; IJselmonde is een zuiverder frankische vorm. Germ. *munþa- > idg. *mento- (*mṇto-) kan met kymr. mant “kinnebak” en lat. mentum “kin” identisch zijn; ’t laatste kan ook idg. en hebben, evenals de voor verwant gehouden woorden on. minnask “kussen”, ohd. (ka)mindil, ags. mîðl, on. mêl o. “gebit aan den teugel”, die echter wellicht niet verwant zijn. De oorspr. bet. van mond, kymr. mant, lat. mentum was wsch. “vooruitstekend lichaamsdeel”: vgl. lat. ê-mineo “ik steek uit”, av. fra-man- “vorsprung gewinnen”, waarbij ook kymr. mynydd “berg”, lat. mons “id.”, gr. moūsa (ospr. “bergnymf”?), alb. majɛ “spits, top” en on. mø̑nir m. “nok” worden gebracht. De combinatie van mond, eventueel ook kymr. mant en lat. mentum, met gr. stóma “mond” is al te onzeker, evenals die van maag I met gr. stómakhos; de m-anlaut zou dan op stm- met schwundstufe der eerste vocaal teruggaan.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

mond. De ingwaeoonse — niet speciaal friese, vgl. Schönfeld N.T. 17, 198 vlgg. — namen Muiden, IJselmuiden e.d. bevatten wsch. de langere stam ofri. mûtha, ags. mûða m. ‘mond van een rivier’ = holl. mui ‘draaikolk, strandplas, geul waardoor het water uit een strandplas naar zee loopt’, gron. moe ‘buitendijkse uitwateringsgeul’. Een oe-relictvorm ziet Schönfeld Oe-relicten in Holl. en Zeel. (Meded. Kon. Akad. Afd. Lettk. Dl. 73, Serie A no. 1) p. 23 in Armoederhoek op Schouwen.
Men brengt het germ. woord ook wel bij lat. mando ‘ik kauw’ (a uit een reductievocaal?), gr. masáomai ‘id.’ (vgl. máthuiaiˑ gnáthoi Hes.) met idg. th. Lat. mentum ‘kin’ zou dan niet verwant zijn, kymr. mant ‘kinnebak’ kan èn bij lat. mentum èn bij mando behoren. Deze combinatie verdient voor mond overweging naast de in het art. vermelde; zeer waarschijnlijk zijn met lat. mando enz. verwant ohd. (ka-)mindil, ags. mîðl (gewoner mîdl), on. mêl o. ‘gebit’. On. minnask ‘kussen’ in ieder geval toch wel bij mond.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

mond m., Mnl. id. Onfra. munt, waarnevens Os mûth + Ohd. mund (Mhd. munt, Nhd. mund). Ags. múđ (Eng. mouth) Ofri. múth, On múđr (Zw. mun, De. mund), Go munþs + Lat. mentum (Fr. menton), We.. mant = kinnebak. Vergel. nog muide.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

moond (zn.) mond; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) mond, Aajdnederlands munt <698-699>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

snijden, (onoverg.; sneed, is gesneden), breken, kapot gaan (draad, touw, ketting e.d.). Je moet de langste belt* nemen, die je kan vinden. No frigiti (vergeet het niet), want deze kan elk moment snijden (B. Ooft 1969: 34). Het kabaal dat b.v. gemaakt wordt in de bioscoop wanneer de film is ’gesneden’ is oorverdovend (Dobru 1967: 8). - 2. (overg.; sneed, heeft gesneden), (voetbalterm) passeren, omspelen. 3. (sneed, heeft gesneden), doorsnijden van het leidsel* van een staande vlieger bij een vliegerwedstrijd die stré-koti (S) genoemd wordt. Het onderwerp kan zijn de vlieger die dit doet, de oplater van deze laatste, de staart, een glasscherf o.i.d. aan deze. De vliegers van allerhande vorm worden vaak prachtig opgetuigd en van een brommer* en een lange staart voorzien, waarmee men bij wedstrijden probeert de tegenstanders te ’snijden’ of anders zo hoog mogelijk te komen (A.M. Bueno d.M. in Helman 1977: 61). - Etym.: S koti = AN s. en SN bet. 1. - Zie ook: breken*.
— : de mond snijden, in de rede vallen. Ma’ mama, is daarover wou ik gaan praten toen mama me de mond heeft gesneden (Cairo 1976: 18). - Etym.: S koti mofo (koti = o.m. AN snijden, hier ’afsnijden’; mofo = mond).

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Mond snw. Segsw.: ’n Mond waarin ’n wa met ’n span osse kan draai. Hoewel Malherbe 57 hierdie spreekwyse as eienaardig Afrikaans beskou, is dit waarskynlik nie onafhanklik in Suid-Afrika ontstaan nie, maar ’n wysiging van ’n ouer uitdrukking. Vgl. Harreb. III, 195: Hy heft een guede ruyme conscientie: men solder mit waghens mit Peerden doer varen, en in ’n moderner redaksie Harreb. I, 235: Door zijn geweten kan wel eene koets met vier (of: zes) paarden rond rijden. Eckart 135: Hä riess dä Gabbäck (Maul) op, mer künnt im met em Wagen Heu erén fahre. (R.) Eckart 157: Det hett ’n Geweten dar kann wol ’n Kutse met sess Perde in ümdrêhen. O(stfriesland).

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

mond 'riviermonding'
Onl. munt, mnl. mont 'mond', in overdrachtelijk gebruik 'riviermonding'. Zie ook muiden. Oudste attestaties: 698-699 kopie 1191 Datmunda (→ Gemonde)1, 1105 Duplamunde (verdronken, bij Dordrecht)2, 1125-1130 kopie ca. 1420 apud Islemunde (→ IJsselmonde)3. Het gebruik van mond in de betekenis 'kanaal dat uitmondt in een hoofdkanaal' is beperkt tot het Noord-Oost-Drentse veengebied en dateert van de 18e eeuw. Volgens de Groninger Encyclopedie is de betekenis nog specifieker: 'dwarskanaal van het Stadskanaal'. In een convenant tussen de Stad Groningen en de Drentse veeneigenaren van 1817 komt een bepaling voor, waarin de Stad zich verplicht het Stadskanaal te laten aansluiten op de Drentse venen door het graven van zogenaamde monden. Zie → Drouwenermond, → Eerste_Exloërmond, → Gasselterboerveenschemond, → Gasselternijveenschemond, → Tweede_Exloërmond, → Tweede_Valthermond, → Valthermond.
Lit. 1Künzel e.a. 1989 106, 2Idem 120, 3Idem 412.

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

mond. In het antwoordvers Wat je zegt, ben je zelf komt de regel voor met een lepel in je mond. Voor meer informatie daarover → elf, helft, koffiemelk, lepel, melk, tiet, touw, verf.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

mond ‘holte achter de lippen’ -> Javindo mon ‘holte achter de lippen’; Negerhollands mond, mon, mun, mont ‘holte achter de lippen, bek, snuit’; Skepi-Nederlands mont ‘holte achter de lippen’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † mon, mout ‘holte achter de lippen’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

mond* holte achter de lippen 0698-699 [Claes]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

233. Bitter in den mond maakt 't hart gezond,

d.w.z. een bitter geneesmiddel brengt genezing. In de 16de eeuw is dit spreekwoord aangetroffen bij Goedthals, 65: Bitter in den mont, is therte ghesont, amer a la bouche est au coeur doux; zie verder Idinau, 211; Huyghens, Onwetend Medicijn, vs. 56: Dat bitterst in den mond leidt werckt werckelicst om 't hert; Tuinman II, bl. 25: Bitter in den mond, is 't hert gezond, het wil zeggen, 't geen onaangenaam is voor de tong, pleegt voor de gezondheid heilzaamst te zijn; Halma, 77; Sewel, 119; Harreb. I, 59: Antw. Idiot. 244; Waasch Idiot. 119; Ten Doornk. Koolm. I, 174; hd. bitter im Mund, ist dem Herzen (Magen) gesund oder bitter dem Mund, dem Magen gesund; fr. ce qui est amer à la bouche, est doux au coeur.

244. Geen blad (of blaadje) voor den mond nemen,

d.w.z. ronduit, onbewimpeld zijn meening zeggen, 17de eeuw uit den mond spreken; 18de eeuw: joffer uit den mond spelen (Halma, 358). In de 18de eeuw komt deze zegswijze voor bij Tuinman I, 39: ‘Hy neemt geen blad voor den mond, dit zegt men van ymand, die vry uit en onbewimpelt eenen anderen zijne feilen en misbedrijven onder den neus wrijft’; Harreb. I, 60. In het hd. is de uitdr. zeer gewoon: kein Blatt vor (den Mund) nehmen, eig. wat men zegt niet van een blad lezen, waarop alles wel overwogen geschreven staat, doch het zeggen zonder er vooraf over nagedacht te hebben. Vgl. Handelsblad, 25 Maart 1909 (ochtendblad 2 bl., k. 5): De heer Brummelkamp is namelijk het tegendeel van iemand die ‘geen blad voor den mond neemt’. Hij spreekt altijd met het papiertje waarvan hij leest, vlak voor den mond; Lev. B. 63: Kijk, ik ben niet gewoon een blaadje voor m'n mond te nemen, en daarom zeg ik ronduit; Prikk. V, 8: Ik neem geen blad voor mijn mond ook, en zei hem ronduit dat zoo'n juffie toch niets voor hem was; Handelsblad, 27 Maart 1914 (avondbl.) p. 1, k. 2: Weest niet zoo ongematigd als ik, Duys, steeds geweest ben. Neemt een blad voor uw mond; De Tijd, 3 April 1914, p. 1 k. 5; Het Volk, 22 Mei 1914, p. 1 k. 1; 24 Oct. 1914, p. 5 k. 1. In De Arbeid, 9 Januari 1915, p. 4 k. 2: Als het noodig is de houding dier anderen te bespreken, neem ik ook geen doekje voor de lippen.

251. Beter hard geblazen dan den mond verbrand ( of gebrand).

Sedert de 17de eeuw zeer gewoon in den zin van het is beter veel, misschien onnoodige drukte te maken ter voorkoming van ongelukken, dan schade te lijden. Zie Spieghel, 279; Coster, 40, vs. 902: Beter dat je stijf blaest dan datje je mongt barrent; Smetius, 77; De Brune, 230:

 't Is beter blaezen t'aller stond,
 Als datmen heel verbrand zijn mond.

Zie verder Paffenrode 51; Tuinman I, 279; Van Effen, Spect. VI, 112; IX, 66; Antw. Idiot. 248: t Is beter geblazen als de(n) mond verbrand (zoo ook Waasch Idiot. 122 b); Ndl. Wdb. II, 2807; Joos, 210: Te heet gegaapt is te laat geblazen; voor het nd. Taalgids IV, 250; Eckart 45; 46. In het fri.: better wol to bliezen as de mûle barnd of better út in heech gat bliesd as de mûle barnd; hd. besser hart geblasen, als sich den Mund verbrennen (Wander I, 331).

523. De gebraden duiven zullen u niet in den mond vliegen.

Dit wordt gezegd tot hem, die meent door niets te doen, voordeel te zullen behalen. Vgl. Sartorius I, 6, 80: Dii facientes adjuvant, u sullen geen gebraede Duyven in de mondt vliegen. Ongeveer hetzelfde zegt Campen, 13: Het en sal v van sich selfs inden mont niet vlieghen. In plaats van duiven vindt men ook snippen, leeuweriken, patrijzen, ganzen, vinken, eendvogels of een hoen; zie Harrebomée III, 171 en vgl. fr. attendre les alouettes toutes rôties; les alouettes rôties ne se trouvent pas sur les haies; hd. warten, dasz einem die gebratenen Tauben ins Maul fliegen; es fliegen ihm die gebratenen Tauben nicht ins Maul; eng. plums will not drop into his mouth; the larks fall there ready roasted. De uitdr. is ontleend aan de beschrijving van t' Luyelecker-landt: Desgelijcx soo sietmen daer over alle t' lant in de lucht de Hoenderen, Gansen, Duyven, Snippen, ende ander Ghevoghelte vlieghen, ende zijn al t' samen wel gebraden: ende isser yemant soo luy dat hyse niet vangen en mach, so vlieghen sy dien wel van selfs inde mondt, indien hy zijn mondt open doet, ende daer na gaept.Zie Veelderh. Geneuchl. Dichten, anno 1600 (ed. Letterk. 1899), bl. 144; Tijdschrift XVIII, 205; Erasmus, LXXIII; Volkskunde XXII, 110. De Grieken en Romeinen kenden ook zulke luilekkerlanden, blijkens Athenaeus (ed. Schweighaeuser, 1802), II, p. 531: οπται κιχλαι γαρ αναΒραστοι ηρτυμεναι περι το στομ επετοντ (= nam assi turdi fervidi et laute adparati circa os volitabant); Petronii Cena Trimalchionis (ed. Friedlander, 1906), blz. 122: Si ali ubi fueris, dices hic porcos coctos ambulare.

794. Hand(je) op den mond!

d.i. zwijg! vertel het medegedeelde niet verder. Ontleend aan den Bijbel, waar de hand op den mond leggen gebezigd is in den zin van Gode zwijgen, niet murmureeren. Vgl. Job. 21, 5: Siet my aen, ende wordet verbaest; ende legget de hant op den mont; 39, 37: Siet, ick ben te geringe, wat soude ick u antwoorden? ick legge mijne hant op mijnen mont. Vgl. nog De Brune, 326: Tand voor tongh is goed devijs; het Zuidnederl. iemand iets hand voor tonge zeggen, d.i. op voorwaarde, dat hij er over zal zwijgen; Ndl. Wdb. V, 1767. Vgl. den vinger op den mond leggen (Vondel, Roskam, vs. 63); de lippen voor de tanden houden; hd. die Hand auf den Mund legen; eng. to put one's finger to one's lips. Zie mondje toe!

848. Waar 't hart vol van is, vloeit de mond van over,

d.w.z. men spreekt gaarne over datgene, waarvan ons hart vervuld is; ontleend aan Matth. XII, 34: Uyt den overvloet des herten spreeckt de mont. Vgl. Ovl. Ged. I, 6: Men heeft gheseit te menegher stont dat es in den moede, dats in den mont; Ferguut, 660: Die mont sprect dat int herte leit; Kaetspel, 1: Men segt ghemeenlike, dat in der herten dat in den mont; Servilius, 193: Een volle mont seyt shartzen grondt; W. Leevend IV, 290; Zeeman, 266; Ndl. Wdb. VI, 19; XII, 1042; Wander II, 615 en 't fri.: dêr 't herte fol fen is dêr rint de mûle fen oer. In Zuid-Nederland: Waar t' hert vol van is, daar spreekt de mond af of daar loopt de mond van over, d.i. vuile woorden verraden een bedorven hart (Joos, 194; Antw. Idiot. 1757); vgl. fr. la bouche parle de l'abondance du coeur; hd. wes das Herz voll ist, des geht der Mund über; eng. what the heart thinketh, the mouth speaketh.

938. Iemand honig om den mond smeren,

d.w.z. iemand vleien; hem lieve, zoete woordjes zeggen; gron. iemand lekkeris op de doeme smeren (Molema, 240); mnl. enen smeren, syn. van enen lecken of leckenbaerden, licken omtrent den baert, iemand likken (vgl. no. 604 en mlat. cui barbam movit linguendo catus bene novit (Werner, 14). Hiernaast in de 17de eeuw en thans nog in dialect (o.a. Molema, 386) een bijv. nw. smerig, vleiend. Vgl. A. Bijns, Refr. 64: Het honich sij om den mont al strijcken den armen, den rijcken; H. de Luyere, 31: Hy ghinck den Cock om den mont vast smouten; Hooft, Ned. Hist. 484; Brederoo, Moortje, 742; Idinau, 221:

Men strijckt hem honingh aen den mondt,
Die men met soete woorden aen-gaet.

Sewel, 341: Iemand honig om de mond smeeren, to flatter, to cajole one. In Kortrijk noemt men een vleier een smouter; Kiliaen vertaalt smoutpotten ook door adulari, assentari, syn. van seemstrijcken, blandiri, adulari; zie Schuermans, 635; vgl. Antw. Idiot. 172: iemand pap (of siroop) aan den baard smeren, hem paaien met bedrieglijke beloften; Teirl. 91: sarope of zeem an iemand zijnen baard doen, wrijven, strijken of smeren, iemand vleien en streelen; 201: zoete boter strijken, streelen en schoonspreken, om iets te bekomen of iemand zachter te stemmen (De Bo, 173; Schuermans, 71); fri. immen sjerp (of huning) om 'e mûle strike, en onze uitdr. met den strooppot omgaan (fri. mei de sjerpkanne omgean), loopen (17de eeuw met den smeerpot loopen), stroop-smeren; vgl. Sjof. 169: Een luie sallepatter, maar die goed met de strooppot kan loopen; P.K. 191: Die 't meest met den strooppot loopt, komt 't snelst vooruit; P.K. 191: O mijnheer, wanneer u eerst slechts begrijpen kunt, hoe ver men met stroopsmeren komt; Amst. 75: Ik kan niet stroop smeren; Het Volk, 21 Oct. 1913, p. 6 k. 1: Maar den vrijzinnig-democratischen heer F. liepen ze met de stroopkwast achterna; Nkr. I, 20 Juli, p. 6: Dan werkte ik met de stroopkwast zoet teemend; Stroopsmeerderij in De Arbeid, 12 Sept. 1914 p. 2 k. 4; 20 Mei 1914 p. 4 k. 1. Vgl. hd. einem Honig ums Maul schmieren; oostfri. ên hönnig um 't mûl smeren (Dirksen I, 61); nd. he schmêrt em Honig um den Bart (Eckart, 217); fr. emmieller qqn; pommader qqn; eng. to honey, to butter, to soft-soap a p; fri. mei de hunichkwast omgean; mei sjerp strike; mei de sjerpkwast rinne.

1536. Met den mond vol tanden staan (of zitten),

d.w.z. niets zeggen ter verdediging, geen woord kunnen uitbrengen, beteuterd zijn; syn. voor snot en vuile boter staanN. Taalgids XIV, 250.; eig. alleen tanden en geen tong hebben. Sedert de 17de eeuw bekend; o.a. te vinden in Com. Vet. 85: Daer staen wy dan en kijcken met een mondt vol tanden; Smetius, 243: Daer stond hy met den mond vol tanden; De Brune, Bank. II, 286; Menschen, die zoo tael-blood zijn, dat ze met de mond vol tanden, maer zonder tonge staen en kijcken; en vgl. P.C. Hooft, Warenar, vs. 1011, het komische: O die kan immers kallen ofser tangt vol mongden hadt. Zie verder Van Moerk. 240; Tuinman I, 312, waar als synoniemen worden opgegeven hy staat, als of hy een een lap in den mond had; als of hy den mond vol bry had; Halma, 263: Met zijnen mond vol tanden staan kijken, être tout honteux, n'oser lever les yeux; Harreb. II, 99; Villiers, 81; M. de Br. 66; Prikk. V, 11; Ndl. Wdb. IX, 1059; het oostfri. hê steid mit 'un mund ful tanden; het Friesch: hy sit mei de mûle fol tosken; Jongeneel, 94; De Bo, 1132: met zijnen mond (of zijne toote) vol tanden staan; Antw. Idiot. 1220; 1905; Waasch Idiot. 443 b; 721 b. Bij Ogier, 8: Die staet en siet met het Backhuys vol tanden.

1537. Iemand den mond snoeren (of stoppen),

d.w.z. iemand het zwijgen opleggen; 17de eeuw iemand muilbanden (zie Ndl. Wdb. IX, 1204); eig. iemands mond vast of dichtbinden, of door er iets in te steken, te stoppen; dit laatste meestal fig. door middel van geld of geschenken. Zie Matth. XXII, 34: Ende de Pharizeen gehoort hebbende, dat hy den Sadduceen den mont gestopt hadde, zyn te samen by een vergadert; Spieghel, 280: Hy behoeft pap met volle potten, die alle man den mont zal stoppen; Poirters, Mask. 26: Doen sagh den ouden Patroon, dat hy te veel brijs moest hebben, die een ieghelijck den mondt wil stoppen (dat herinnnert aan het fri.: dy 't alleman de mûle stopje scil moat in bulte brij ha); Paffenr. 51; Vondel, Adonias, 1157: Men hoeft veel stofs om al wat gaept den mond te stoppen; C. Wildsch. I, 20: Om uw geweten een bal in den mond te stoppen, roept gij het looze vernuft te hulpZie ook Ndl. Wdb. II1, 903 en Borchardt no. 796.. Vgl. Schuermans, 387; Rutten, 148; 149: iemands muil stoppen; in Antw. Idiot. 1905: iemand den mond stoppen, den bek snoeren; Harreb. II, 99: Men kan hem den mond met een paardenhaar openmaken, maar met geen kabeltouw weer sluiten; en bl. 100: Zijn mond gaat met een strootje open, en is met geen' koevoet te stoppen. In de 18de eeuw is de uitdr. vrij gewoon; zie Van Effen, Spect. X, 117; XI, 240; XII, 96; Halma, 358; Villiers, 81. Hiernaast komt in de 16de eeuw voor: sinen mont hecken; bij Anna Bijns, Refr. 299: de tong snoeren; bij Kiliaen: Snoeren den beck, compescere labellum; constringere os; refrenare linguamZie Ndl. Wdb. II, 1557; IX, 1058; Mnl. Wdb. VII, 1430.. Vgl. ook het fr. coudre la bouche à quelqu'un; clore le bec à qqn; eng. to stop a person his mouth; hd. einem den Mund oder das Maul (ver)stopfen.

1538. Zijn mond houden,

d.w.z. zwijgen; zijn tong voor zijn tanden houden (16de eeuw); ook plat: zijn smoel, bakkes, bek houdenNdl. Wdb. II1, 1556; fri. de mûle of de bek hâlde.; de pij (hebr. peh, mond) houden (Köster Henke, 56); mnl. sinen mont houden, waarin het wkw. houden de beteekenis zou kunnen hebben van bewaken, op iets passen, tegenhouden, bedwingen; vgl. lat. linguam tenere en de bijbelsche uitdr.: een wacht zetten voor zijne lippen (Psalm 141, 3). Zie het Mnl. Wdb. III, 624 en Paul, Wtb. 233; vgl. de synoniemen houd je kop dicht (Nkr. I, 4 Mei, p. 6; Kent. 33; Amst. 97; S.M. 90; Kmz. 45; 181; Falkl. I, 13); houd je waffel dicht (in Amst. 56; 98); hou je waffel (Jord. II, 364Jord. II, 420: Hij verzocht voor eenige momenten de toeters, de trechters, de waffels en de kleppers dicht te houden. Dit wafel komt in de 17de eeuw reeds in de beteekenis mond voor.); hou toch je tas (Kunstl. II, 284); hou je gleuf (Kunstl. 108Jord. II, 449: Druk 'm se gleuf dicht!); houd je trommel (Jord. 26); houd je klep dicht (Jord. 288); hou je klep (Twee W.B. 83; hou je menageklep dicht (Groningen IV, 194); hou je gapert toe (Jord. II, 6); sluit je klepper (Jord. II, 38); je klepper toe (Jord. II, 41; 197); hou je klepper (Jord. II, 262); je klepper dicht (Jord. II, 315); hou je holte (Jord. II, 328); hou je toeter (Jord. II, 342); hou jij je grens (grijns, Jord. II, 485); houd je kaken (Jord. 95), je kakement, je snuit; houd je dicht (Sewel, 177) naast mondje toe of dicht! (vgl. Plantijn: mondeken toe, tays toi, bouche close; Goedthals, 95: mondeken toe is goede devise, garde le bec; Trou m. Bl. 228); 16de eeuw: mondje sus!; Halma, 358: den mond toehouden; Van Effen, Spect. XI, 98: zijn bakhuis toehouden; W. Leevend VII, 15: Toen hy zyn bakkes nog toehield; Weiland: houd uwe snuitTijdschrift XL, 165.; zie no. 794 en vgl. het eng. to hold one's tongue; shut up (shop)!; fr. ferme ta boîte; tiens ton bec!; hd. den Mund, das Maul, die Klappe, den Schnabel, die Fresse, Gusche, Flabbe, Schnute, Futterlicke, Futterklappe, den Brotladen, die Speiseritze, den Freszspalt haltenGerm.-Rom. Monatschr. IX, 51.; zuidndl. de lippen voor de tanden houdenDe Telegraaf, 16 Nov. 1914 (avondbl.) p. 1 k. 5: Ook houdt iedereen er de lippen voor de tanden, op straat, op de tram, in 't café en durft in zijn eigen huis slechts fluisterend te spreken. (Aanv.) Vgl. Handelsblad 16 April 1924 (A) p. 5 k. 6: Onze landdame kon haar lazarusklep niet houden.

1539. Een grooten mond opzetten (of opendoen),

d.w.z. brutaal, ongepast zijn; eig. den mond wijd openzetten om te schreeuwen; fr. engueuler qqn, attaquer qqn par des injures grossières; een groote smoel opzetten (Slop, 42); een keel opzetten (De Brune, Bank. I, 342 en no. 1114); een bakkes openzetten (C. Wildsch. IV, 389); vgl. Tuinman I, 229: Hij zet een mond op als een oven; en bl. 197: Zy doen een mond op als een hooischuur (zie Coster, 529); Goeree en Overflakkee: een smoel als een mendeur; het fri. hja het in bek as in opskoerde toffel, as in brivebos, as de sé; in de 17de eeuw den mont opendoen oftmer een broeck in sou spoelen (zie Ndl. Wdb. III, 1471); in Twente: nen bek opzetten as ne oenderdeure; in Brab. een schuurpoort openzetten; bij Tuerlinckx, 602: een strot openzetten; bij Harreb. I, 45: zij heeft een bek als een schuurdeur; een pij (hebr. peh, mond) opzetten (Twee W.B. 126).

1540. Een grooten mond hebben,

d.w.z. brutaal, ongepast zijn, vooral van kinderen gezegd; zie no. 1539 en vgl. mnl. cleinmondich, bescheiden. Vgl. C. Wildsch. VI, 32: Dat heb ik wel gehoord, dat hij haar, haar assurante grooten mond verweten heeft; Multatuli I, 208: En zal niet.... ieder.... zeggen: het is goed, dat Saïdjah stierf, want hij heeft een grooten mond gehad tegen Adinda? Vgl. het vroegere iemand een vuilen mond geven; het vroegere en thans nog dial. bekende mondig, een grooten mond hebbende (Hoeufft, 394; Ndl. Wdb. IX, 1071); thans iemand een brutalen bekVgl. Ndl. Wdb. II1, 1557, waar o.a. uit Hooft, Ned. Hist. 791 wordt aangehaald: De Hopluiden gaaven aan d'Ommelandsche gemaghtighden een spytighen bek., mond geven, waarmede te vergelijken is W. Leevend IV, 268: Je behoeft my zoo een bakkes niet te geven. In het fri. immen in wize bek jaen, iemand kwaad bescheid geven, waarin mond (bek, bakkes) de beteekenis heeft van ‘wat gesproken wordt’. Vgl. hd. ein groszes Maul haben (Wander III, 515); Afrik. Hy het 'n mond soos 'n wawiel.

1541. Iemand iets in den mond geven,

d.w.z. iemand iets voorpraten; eene vraag zoo inkleeden, dat het antwoord er tevens in opgesloten ligt, gemakkelijk te geven is (fr. faire le bec à qqn; hd. einem die Worte in den Mund legen), waarvoor ook gezegd wordt iemand de pap in den mond geven (Harreb. II, 99; Kmz. 351; De Bo, 826; Waasch Idiot. 443 b; Antw. Idiot. 830; Schuerm. 387 b); bij Rutten, 179: Men zou het hem moeten met den pollepel ingeven, hij is zeer loom van begrip. In de middeleeuwen enen iet in den mont geven (bij Froissart, 147; 164); hd. einem etwas ins Maul (oder in den Mund) kauen, schmieren, streichen, ‘das bild lehnt an das kind an dem man den brei einstreicht’; zie Grimm VI, 1788 en Joos, 70: Ik gaf hem de pap in den mond, maar hij wou niet zwelgen, ik maakte hem het antwoord allergemakkelijkst en nog raadde hij het niet (Waasch Idiot. 255). Vgl. iemand iets voorkauwen (Harreb. III, 78), mnl. enen iet cnauwen (cnuwen); fr. mâcher qqch à qqn; hd. einem etwas vorkauen; Suringar, Erasmus, CLXXV: praemansum in os inserere.

1542. Met twee monden spreken,

d.w.z. dubbeltongig zijn (lat. bilinguis), valsch, onoprecht zijn; niet ten opzichte van iedereen hetzelfde handelen, uit twee pannen bakken, met twee pannekens koeken bakken (Joos, 115De Tijd, 5 Febr. 1914, p. 5 k. 5: Met een vriendelijken lach op 't gelaat en met een beleefde buiging zal de heer Ter Laan dus voor onze Koningin staan, terwijl hij de monarchie in zijn hart verwenscht. Hoe dat bakken in twee pannetjes te verklaren is? Vgl. N. Taalgids XI, 306: Menschen die in twee pannen visch bakken. Zoo noemt men hen, die geen partij kiezen, maar nu met den een en dan met den ander meepraten (Goeree en Overflakkee); syn. aldaar Twee kleuren in zijn baard hebben (N. Taalgids XI, 133).); koud en heet uit één mond blazen (zie o.a. Kluchtspel II, 135); fr. souffler le froid et le chaud; hd. aus éinem Munde kalt und warm blasen; eng. to blow hot and cold. Zie Bouc v. Seden, 885: Onwert die ghene talre stont die twee tonghen draghen in den mont (vgl. ook bl. 110-111); Servilius, 223*: Hi spreect met twee monden; Sartorius, I, 8, 98: Wt twee monden spreken, in bilingues dicitur, et qui eundem modo laudant, modo vituperant; Anna Bijns, Nieuwe Refr. 38; Idinau, 13:

 Daer spreken sommighe met twee monden:
 Hier eens, daer anders, hier goedt, daer quaedt,
 Waer heeft men oyt fonteyne ghevonden,
 Die soet en suer gaf, t'eender daet?
 Een dobbel tonghe gheen argher saedt.

Zie verder Suringar, Erasmus, LXIII; Harreb. II, 99 a; Afrik. Hy praat met twee monde; Nkr. VIII, 3 Jan. p. 4; vgl. het fri.: út twa mûlen sprekke.

1543. Niet op den mond (of zijn mond(je) gevallen zijn,

d.w.z. zijn woord goed kunnen doen, ook: goed van zich kunnen afbijten, een bekvechter zijnHandelsblad, 19 Oct. 1918, p 5 k. 2 (O): Maar heden is gebleken dat ook de S.D.A.P. nog geroutineerde bekvechters telt.... en dat althans de heer Duys nog de oude is.. Tuinman II, 209: Zy is op haar mond niet gevallen ‘dat zegt men van eene, die wel weet weêrom te spreken, en haar verdediging gereed heeft; Halma, 358: Dat vrouwmensch is op haaren mond niet gevallen, cette femme a la langue bien pendue; Sewel, 496; V. Janus III, 204; Harreb. II, 98; Villiers, 82; Ppl. 111; Schoolm. 247: De schoonmaaksters die trouwens geen van allen op heur mondjen zijn gevallen. In Zuid-Nederland zegt men hiervoor volgens Schuermans, 396 en 734: op zijnen muil, op zijn bakkes (ook Antw. Idiot. 179), op zijn blad (tongAntw. Idiot. 246; Waasch Idiot. 120 b. Vgl. mnl. tongeblat, tong.), op zijne tong niet gevallen zijn (Antw. Idiot. 1251; Claes, 240; Waasch Idiot. 656 a); alsook op zijn smoel niet gevallen zijn (Tuerlinckx, 660) en in Limb. ze is neet op 't muelke gevallen (Jongeneel, 94); bij Poirters, Mask. 134: Een ander vrouwe... toonde dat haren mondt ook in geen maelslot (hangslot) en was gevallen. Volgens Taalgids VIII, 110 wordt nu en dan aan deze zegswijze toegevoegd: en zoo zij er op gevallen is, is ze er niet op blijven liggen, dat tevens de verklaring aangeeft. De Duitschers zeggen: nicht auf den Kopf gefallen sein in den zin van: geen domkop zijn, maar ook er ist nicht auf den Mund, aufs Maul gefallen (Grimm, VI, 1789; 2678; Wander III, 514; Eckart, 284), waarvoor men in het fri. ook zegt: hy is net op 'e mûle fallen, do 't tiid wier om praten to learen. In Drente zegt men in dezen zin: hom is 't spinrag ook nijt veur de bek mossen (Bergsma, 35; vgl. Campen, 126: hem en sal ghien spinnecobbe voer de mont wassenHarreb. II, 97 b.).

1544. Iemand naar den (of zijn) mond praten,

d.w.z. iemand vleien, flikflooien; fri. nei immens holle (hoofd) prate. Het is niet onmogelijk, dat Tuinman I, 186 gelijk heeft in zijne bewering, dat deze uitdr. eig. wil zeggen: praten naar iemands smaak, gelijk hem aangenaam is; vgl. het mnl. goeden mont maken, goed smaken. Hooft bezigt ook in Ned. Hist. 901 de uitdr. naa den mondt zijn in den zin van smaken, en zeer gewoon was het wkw. monden (fr. mûlkje), bevallen, aangenaam zijn, smaken, waarvoor men in Zuid-Nederland zegt naar iemands tand zijn (Schuerm. 710; Antw. Idiot. 1220). De hd. uitdr. einem nach dem Maule (oder Munde) reden (Grimm, VI, 1793; 2679) maakt evenwel die opvatting niet zeer aannemelijk; de meest waarschijnlijke verklaring zal wel zijn: spreken zooals een ander spreekt, hetzelfde zeggen, gelijk geven; zie no. 365. In de 16de eeuw komt de uitdr. voor; ze is o.a. te vinden in het Tijdschrift XVI, 58: Ter derder moet men al nae sijn mont spreecken. Zie verder Vondel, Aenleidinge, 111; Brederoo I, 347; III, 157; Rusting, 204; Van Effen, Spect. VI, 136; Sewel, 497; 744; Ndl. Wdb. IX, 1061; Villiers, 81; enz.; vgl. fri. mûleflooije; bekjeflaeije; het oostfri.: êmand na de mund prôten; het gron. bekproaten, mondjeproaten, na de bek proaten (Molema, 27 a). In Zuid-Nederland onbekend; wel: iemand naar zijnen tand klappen (Antw. Idiot. 1229); naar iemands tand klappen (Rutten, 226 b).

1545. Het is mondjesmaat,

d.w.z. het is weinig, vooral van voedsel gezegd; eig. de maat voor een kleinen mond; zooveel als tegelijk in een kleinen mond gaat. Vgl. Hooft, Brieven, 304: De hondtsdaagen neemen 't quaalyk, zoo men meer dan mondtjens maat ontbiedt; Huygens, Cluyswerck, vs. 257: Niet (niets) noem ick mondiens maten (= eenige mondjes vol), waar het nog geen samenstelling is geworden; Kluchtspel II, 165; Tuinman II, 42: Mondekens maat; Sewel, 497; Br. v. Betje Wolff en A. Deken, 87: mondjes maate; Bouman 70: mondjesmeet, schraaltjes afgemeten; Ndl. Wdb. IX, 1072; De Bo, 710: mondjesmate, mondetjes mate, genoeg doch spaarzaam, eerder te weinig dan te veel, zeer matiglijk; Antw. Idiot. 831: mondekensmaat, maar nauwelijks eten genoeg om te kunnen leven.

1555. De morgenstond heeft goud in den mond,

d.w.z. ‘vroeg opstaan is profijtelijk’; hd. Morgenstunde hat Gold im Munde; ook Morgenstunde hat plumbierte Zähne (zie Germ.-Rom. Monatschr. IX, 58); bij Joos, 150: de morgenstond heeft goud (of rozen) in den mond; morgenwerk, gulden werk. Vgl. verder Pers, Bellerophon I, 145: De Morgenstondt draeght Honingh in den Mondt; Tuinman I, 173 met de verklaring dat ‘wel bestede morgenuuren groot voordeel toebrengen’; Sewel, 499; W. Leevend I, 209; Martinet, no. 16.

De zegswijze komt ook in het Deensch en in het Zweedsch voor: Morgenstund har guld i mund; Morgonstund haar guld i munn (Wander III, 733; 734). De voorstelling, dat de morgenstond, Aurora, goud in haren mond draagt, vindt men in velerlei volkssagen. In de Zweedsche valt een gouden ring uit haren mond, als zij lacht, in de Noorweegsche vallen goudstukken uit haren mond, als zij spreekt, en uit haar haren, wanneer zij zich kamt. In de Deensche vallen edelgesteenten uit haren mond en goud en zilver uit het haar, en in de Rumeensche valt goud en zilver uit haar haar, wanneer zij zich kamt. Zie Harreb. III, 453; Villiers, 83; Borchardt, bl. 201 noot; Germania XXV, 80; Wander III, 733; Ndl. Wdb. V, 465; IX, 1059 en Brunner, Deutsche Rechtsgeschichte I, 71, anm. 6, die de verklaring meent te moeten zoeken ‘in einer steifleinenden Schulmeisterwitz über das wort aurora (aurum in oraZeitschrift des Algem. Deutschen Sprachvereins XVII, bl. 321; Fr. Seiler, Deutsche Sprichwörterkunde, 23-24.)’. Zie evenwel Taal en Letteren XIII, 575, waar gewezen wordt op het Hongaarsche gezegde: die vroeg opstaat vindt een goudstuk, en mond gehouden wordt voor een zich als van zelf voordoend rijmwoord, daar men niet te veel achter zoeken moet; vgl. avondrood, water in de sloot; mist, vorst in de kist; het is een moord in een mandje; zoo zat als 'ne patat (in Antw. Idiot. 1960); met lijpen en drijpen (Antw. Idiot. 1875); in Drenthe: zoo wies as 'n patries; zoo dom as 'n koffietrom; fri. mei in hei (drift) en in bei, en dergelijke. Zie no. 1465.

1652. Nuchter(en) blijven van iets,

d.w.z. iets niet krijgen, zijn mond kunnen afvegen (zie Ndl. Wdb. I, 1741), ergens geen aandeel in hebben, iemands neus voorbij gaan. In de 17de eeuw nuchter zijn van iets, geen deel hebben aan iets, eig. er niet van proeven. Thans uitsluitend ‘nuchter blijven van iets’; o.a. Amst. 74: Als jelui zoo dringen en duwen, blijf jelui allemaal nuchter van de boel; Jong. 236: Pas op jij met je rooie kanes (hoofd), als je de anderen trapt, blijf je d'r nuchteren van; Landl. 195; 208; Krat. 103; M.z.A. 16; P.K. 116; S.M. 58; Nkr. VI, 21 Dec. p. 4: De Rotterdamsche tonnemaat brengt stuwadoor en reeder baat, maar onze stoere havenman, die blijft er lekker nuchter van; Het Volk, 6 Mei 1914, p. 6 k. 3: Rechtsche kandidaten aanwijzen, daar blijft hij nuchter van. Daar wordt door anderen voor gezorgd; Op R. en T. 119: Als ik niet casuweel d'r op ankom, gappe ze me een heel mandje blauwe druiven weg - maar 'k snapte ze en nou blijven ze d'r lekker nuchter van; Molema, 282: hij blift 'r nöchtern van, dat gelukje gaat hem voorbij, hij krijgt er niets van; Gallée, 31: daor blieev i nüchteren bi, dat gaat uw neus voorbij; fri. dêr bliuwstou nochteren fen; Ndl. Wdb. IX, 2203; voor Zuid-Nederland vgl. Loquela, 346: nuchter, weteloos: ‘Zijn goed gaat verkocht zijn en hij is er nog nuchter van.’

2339. Geen veer van den mond kunnen blazen,

d.w.z. zeer zwak zijn, uitgeput zijn, geen kracht meer bezitten om ook maar een veer van den mond te blazen; ook in fig. zin. Eene uitdr. die volgens Dr. A. Beets, Noord en Zuid XXI, 478 kan ontleend zijn aan de rechtspraktijk uit den tijd, dat men in sommige streken bij een ter dood geslagen of gestoken persoon trachtte uit te maken of hij nog leefde, door te probeeren of men op zijn mond nog eene ‘pluim’ of veder kon zien ‘wagen’, d.i. bewegen. Zoo leest men in de Statuten van Maastricht, dagteekenende van het jaar 1380: De den anderen quetst, dat her ter erden velt, of dat he sich te bedde legt, wie men denen halden ende vangen sal. I. Enden eirsten, want eyne vriheit is inder stadt van Luitken ende inden anderen gueden steden des bisdoms van Luitken ende der graefscap van Loen, dat eyn porter den anderen dar neder slaen of steken mach, ter doet toe wondt, ende bi den gequetsden mach bliven staen, of opder straeten ghaen onghevangen ende onbesoirght van den here of van yemanne als van des gerichts weghen, die wile ende also lange als der gequetsde dat leven in heet (heeft) ende also vele adoms, datmen op synen mont eyne plume magh sien waghenZie Crahay, Coutumes de la ville de Maestricht (Bruxelles, 1876), bl. 42 a.. In de 17de eeuw vinden we de uitdr. meermalen o.a. bij Hooft, Brieven, 169 en 358; Ned. Hist. 346; Kluchtspel III, 74; Paffenrode, 158; Poirters, Mask. 265: Ghelijck men iemandt, die langh in sijn uytersten heeft gheleghen, soo dat men twijffelt of daer noch aessem in is, een pluymken op den mondt leet, om te sien of het wegh gheblasen sal worden, welck een seker teecken is, dat daer noch gheest in den siecken is; enz. Uit deze plaats blijkt, dat men dit middel ook toepaste buiten de rechtspraktijk, waaraan de uitdrukking dus niet behoeft ontleend te zijn. Het kan een zeer oud middel geweest zijn om te zien of iemand nog leefde, waarvan men in de rechtspraktijk gebruik maakte. Zie verder nog Tuinman I, 317 en 353; V. Janus, 51; Harreb. II, 98 b; Boekenoogen, 71; Ndl. Wdb. II, 2808; Volkskunde XVI, 148; De Arbeid, 13 Febr. 1915, p. 2 k. 2: ‘Het Volk’ kan nu langzamerhand een veer van den mond blazen, nu 't het blad werd van Jan Publiek; vgl. Harreb. II, 391: Als hij maar een vlieg van zich af kan blazen; I, 206 b: Hij kan geene veêr van zijn gat blazenIn 't fri. beteekent hja kinne my gjin fear fen 't gat blaze, zij kunnen mij niets doen, ik ben buiten schot..

2398. Den vinger op den mond leggen,

d.i. zwijgen, den mond toehouden, afsluiten, hetzelfde als de hand op den mond leggen (no. 794); eene sedert de 17de eeuw voorkomende zegswijze, die o.a. wordt aangetroffen bij Paffenrode, 97: 'k Sal de vinger op de mond leggen en swijgen, vertel jy maer voort; Vondel, Roskam, 63: Dies acht men hem voor wys, die vinger op den mond leyt; Harrebomée II, 97 a. In het fr. mettre le doigt sur la bouche, pour faire signe de garder le silence; hd. den Finger auf den Mund legen (Wander I, 1020); eng. to put one's finger to one's lips. Vgl. no. 1538.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut