Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

mompelen - (onduidelijk spreken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

mompelen ww. ‘onduidelijk, binnensmonds spreken’
Mnl. mumplen ‘onduidelijk spreken’, naast mumplyng (zn.) ‘gemompel, gerucht’ [beide 1477; Teuth.]; vnnl. mompelen ‘onduidelijk, binnensmonds spreken’ [1573; Thes.].
Wrsch. een klanknabootsend woord, met de uitgang van een frequentatief. Er is wrsch. geen verband met het werkwoord vnnl. mompen ‘bedriegen’ [1617; iWNT]. Vergelijkbaar is mnl. mommelen ‘mompelen’ [1437; MNW-P], nnl. mummelen.
Nnd. mumpeln (vanwaar nzw. mumla); nhd. dial. mumpflen, mümpflen; nfri. mompelje; me. momble (ne. mumble); alle ‘mompelen’; ne. mump ‘id.’, Brits-Engels (dial. en slang) ook ‘bedriegen’ door ontlening aan vnnl. mompen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

mompelen* [binnensmonds spreken] {mumplen 1477, mompelen 1573} de laatste vorm expressief versterkt, dus van mummelen.

mummelen* [onduidelijk spreken] {mummelen, mommelen 1484} klanknabootsende vorming.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

mompelen ww. Kiliaen mompelen, mondpelen, Teuth. mumplen, nnd. mumpeln, nhd. dial. mumpflen, mümpflen, fri. mompelje, ‘mompelen’, ne. mump ‘mompelen; bedriegen, bedotten’, vgl. oudnl. mompen ‘bedriegen’, nnoorw. dial. mumpa ‘met volle mond kauwen’. — Een intensiefformatie van mommelen (zie: mummelen), zoals ook nnoorw. nzw. mumsa ‘knagen, knabbelen’. Met andere vocaal nzw. dial. mimsa ‘de lippen haastig bewegen’. — De bet. ‘bedriegen’ kan invloed van de groep van mom verraden. — Oudnl. mompen > ne. mump (in gebruik 1651-1734, vgl. Bense 238).

mummelen, mommelen ww., soms ook meumelen, mnl. mommelen, mummelen ‘mompelen, brommen’, mnd. mummelen ‘brommen’, prevelen’, fri. mommelje ‘kauwen zonder tanden’, ne. mumble ‘mompelen, prevelen, kauwen’, een iteratief-vorm naast oudnnl. en dial. mommen ‘onduidelijk spreken, kauwen’. — Een kenmerkend klankwoord, vgl. ook: mompelen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

mompelen ww. Kil. mompelen (mondpelen), Teuth. mumplen “rumari”. Ook dial. nhd. nnd. komen mumpfeln, mümpfeln resp. mumpeln voor, evenzoo fri. mompelje, eng. to mump, het laatste ook met de bet. “bedriegen, bedotten”, die ook oudnnl. mompen heeft; noorw. dial. mumpa “met vollen mond kauwen”. Zie verder ’t verwante mummelen. Oudnnl. mompen “bedriegen”, ook “verstoppen”, herinnert in bet. aan de woordgroep van mom II.

mummelen ww. Dial. ook meumelen, mommelen, mnl. mommelen (mummelen) “mompelen, brommen”. Hiernaast ouden dial. nnl. mommen “onduidelijk spreken, kauwen”. Vgl. ook mnd. mummelen “brommen, prevelen”, fri. mommelje “kauwen zonder tanden”, eng. to mumble “mompelen, prevelen, kauwen”. Van een onomatopoëtische basis germ. mum-, waarvan ook zw. mumsa “moeilijk, zonder tanden eten”. Zie verder mompelen, moffelen, mokken, mom II.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

mommelen, mompelen ono.w., + Hgd. mummeln, Eng. to mumble, van wrt. mum = brommen: onomat.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

mompelen* binnensmonds spreken 1477 [Teuth.]

mummelen* onduidelijk spreken 1484 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut