Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

molm - (mengsel van vergaan materiaal)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

molm zn. ‘mengsel van vergaan materiaal’
Mnl. mollem ‘droge stof van turf’ in mollem in den bodem van horen scepen ‘molm onderin hun schepen’ [1450-1500; MNW]; vnnl. molm ‘verrot hout’ [1599; Kil.]. Eerder al de nevenvorm onl. melm ‘stof, droge aarde’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. melme ‘id.’.
Os. melm ‘stof’ (mnd. melm); ohd. melm ‘stof’ (mhd. mëlm, nhd. Mulm ‘stofaarde’, zermalmem ‘verbrijzelen’); oe. mealm in de samenstelling mealmstān ‘zachte steen, kalksteen’ (me. malme, vne. malm); on. malmr ‘goudstof; metaal, erts’ (nzw. malm ‘erts’); got. malma ‘zand’; < pgm. *melm-, *malm-, *mulm- ‘fijn materiaal, stof’, alle ablautende afleidingen van de wortel van → malen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

molm* [stof van vergaan hout e.d.] {molm, mollem [droge grond, turfstof] 1401-1500} oudsaksisch, oudhoogduits melm (hoogduits Mulm), oudnoors malmr [erts], gotisch malma [zand]; behoort bij malen2.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

molm znw. m. o., mnl. molm, mollem, mollen o., westf. molm, nhd. mulm. Daarnaast staan abl. 1. mnl. melm m. (melme v.) ‘stof, droog zand’, os. ohd. melm m. ‘stof’ en 2. oe. mealm (in mealmstān ‘zandsteen’), on. malmr m. ‘erts, metaal’, got. malma m. ‘zand’. — lit. melmů ‘graveel’, lett. smelis ‘zand’. — Zie verder: malen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

molm znw. (de en het); mnl. molm, mollem (mollen) o. = nhd. mulm, westf. molm m. “molm”. Met ablaut: 1. mnl. melm m. (ook melme v.) “stof, droog zand”, ohd. os. mëlm m. “stof”, 2. ags. mealm (in mealmstân m. “zandsteen”), on. malmr m. “erts, metaal”, got. malma m. “zand”. Met formans idg. -mo-, -mon- van de bij malen I besproken basis: vgl. vooral lit. melmů̃ “graveel” en nhd. zermalmen “verbrijzelen”. Een geheel ander woord dan molm is Teuth. Kil. olm “verrotting van hout, rot hout”; ohd. reeds olmoht, mnd. ulmich “verrot, rottig”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

molm m., + Hgd. mulm: niet verder op te sporen, maar toch een oud afleid. met -m-suffix van den wortel van malen.

molsem, molsemen , niet buiten het Ndl.: een afleid. gelijk molm en molmen, maar met -sm-, in plaats van -m-suffix.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Molm, van denzelfden wt. als malen; vgl. Got. malma = zand, Os. melm = stof. Vgl. ’t Mnl.: Hij viel „van den orse optie moude” = van het ros op den grond, in het stof. (In mijn geboorteplaats op de Veluwe is nog een „melmweg”.)

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

molm* stof van vergaan hout e.d. 1401-1500 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut