Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

mollig - (zacht en verend, een beetje dik)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

mollig bn. ‘zacht en verend, een beetje dik’
Vnnl. mollig ‘zacht’ in dan vallen ... de wijnen molligh ‘dan worden de wijnen zacht van smaak’ [1646; iWNT]; nnl. myn mollig bedt [1750; iWNT], Het Kind ... met zyn lief mollig armpje [1784; iWNT].
Misschien een afleiding van mnl. mol ‘week, zacht’ [1477; Teuth.], maar deze attestatie staat in het Nederlands geïsoleerd. Waarschijnlijker is ontlening aan Vroegnieuwhoogduits mollicht ‘zacht, verend’ (Nieuwhoogduits mollig), uit Middelhoogduits molwec ‘id.’. Zowel in het Duits als in het Nederlands zou dan suffixsubstitutie opgetreden zijn.
Mhd. molwec is wrsch. afgeleid van ohd. molawēn ‘vergaan, verrotten’, waarvan de verdere herkomst onduidelijk is. Mogelijk is het ablautend verwant met → mild. Misschien zijn de vormen met moll- beïnvloed door Latijn mollis ‘zacht’, zie → mol 2.
De oorspr. algemene betekenis mollig ‘zacht, week, mals’ is verouderd. Het woord had onder meer betrekking op lichaamsdelen; in die context is de betekenis vernauwd tot ‘zacht en verend, rondvormig’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

mollig* [zacht] {1678} ook dial. duits, vgl. middelnederduits mol [week]; mogelijk verwant met mals en vermoedelijk o.i.v. latijn mollis [zacht].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

mollig bnw., eerst na Kiliaen, vgl. ook nhd. dial. mollig, mollicht, misschien te verbinden met mnd. mol, Teuth. moll ‘week, murw’, dat hoger op met de groep van mals zou kunnen samenhangen. Secundair kan lat. mollis ook invloed hebben uitgeoefend.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

mollig bnw., nog niet bij Kil. Wsch. gevormd van een bnw. *mol = Teuth. moll, mnd. mol “week, murw”, en algemeen geworden onder invloed van lat. mollis “zacht”, wellicht ook van mol I (vgl. molletje als “kosewort”) en doordat men ’t woord onomatopoëtisch voelde. Ook in het Du. bestaan dgl. woorden met dgl. bet.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

mollig bijv., + dial. Hgd. id.: verwant met malsch en meluw 2.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

mollig b.nw.
Met 'n figuur tussen slank en vet.
Uit Ndl. mollig (1781).
D. mollig (19de eeu).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

mollig ‘zacht, rond’ -> Indonesisch molig ‘zacht, rond’; Balinees moleh ‘zacht, rond’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

mollig* zacht, rond 1678 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut