Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

molenaar - (exploitant van een molen)

Etymologische (standaard)werken

H. Beelen en N. van der Sijs, ‘Woordsprong’, serie in: Onze Taal 2013-2019

Natneus, molenaar, hypocriet; insectennamen uit de zeventiende eeuw

Hoe noem je een rups die telkens zijn kop in het water steekt en vervolgens zijn voorlijf omhoogbrengt om het genomen slokje naar beneden te laten zakken? In 1635 koos de toen nog maar 18-jarige insectenkundige en kunstschilder Johannes Goedaert (1617-1668) voor dronckaerdt: “Ick heb hem den Dronckaerdt ghenaempt om dat hy seer tot het drincken genegen was.” Goedaert, die ruim vierhonderd jaar geleden in Middelburg werd geboren, was de eerste die de metamorfose van insecten beschreef: de gedaantewisseling die ze doormaken van larve via pop tot volwassen dier. Daarvoor kweekte hij veel larven, maden en rupsen op.
De vraag hoe insecten ontstaan en opgroeien, was in de zeventiende eeuw een nog niet opgelost mysterie, dat vele geleerden bezighield. Goedaert beschreef in zijn driedelige levenswerk Metamorphosis naturalis, ofte Historische Beschryvinghe vanden Oirspronk, aerd, eygenschappen ende vreemde veranderinghen der wormen, rupsen, maeden, vliegen, witjens, byen, motten ende dierghelijcke dierkens meer (1660-1669) op basis van eigen waarnemingen zo’n 150 insectensoorten in woord en beeld. Verreweg de meeste insecten die hij behandelde, hadden nog geen naam. Hij rekende het tot zijn wetenschappelijke taak daar verandering in te brengen.

Malende kaken
Net als tegenwoordig was het in de zeventiende eeuw gebruikelijk om nieuwe insectennamen te baseren op een opvallend uiterlijk kenmerk. Ook Goedaert hield zich aan deze naamgevingsconventie, en dat leidde tot vaak schilderachtige insectenbenamingen, zoals ook blijkt uit het kader hiernaast. Goedaerts taalkundige vondsten verschillen van de moderne Nederlandse namen, en dat maakt zijn werk ook taalkundig interessant. Voor de meikever bedacht Goedaert bijvoorbeeld de naam molenaer. Goedaert vertelt dat dit in zijn omgeving de gebruikelijke aanduiding was, en dat zal zeker kloppen, want in het Zeeuwse dialect is het woord voor ‘meikever’ nog steeds meulenaer. De verklaring die Goedaert erbij verstrekt, is bepaald origineel. Volgens hem zijn de molenaren zo gaan heten “om datse de toppen vande jonge scheuten ende uytterste bladeren der perse-boomen, abrykosen, keersen, willige-boomen, pruymen, popelieren ende haeselaer geern eten, ende die weten te vermalen ende te verbrijselen”. Hij ziet dus een etymologisch verband met de malende kaken. Moderne etymologische woordenboeken verklaren de naam uit het feit dat een meikever er door zijn donzige beharing uitziet alsof er een laagje wit meel op zijn dekschilden zit. Voor beide verklaringen valt zeker iets te zeggen.

Wolf
De larve van de meikever werd volgens Goedaert in zijn tijd door de boeren kooren-worm genoemd “om dat hy inde kooren-landen groote schaede doet”. Zo ook weten we dankzij Goedaert dat de rups van een fraai paarsgestreept vlindertje in de zeventiende eeuw al “van ouwds her” bekend was als wolf, dit omdat het diertje de bloesem van de fruitbomen opat en daardoor aan de landbouw grote schade berokkende. Tegenwoordig kennen we dit vlindertje alleen onder de door Linnaeus in 1758 toegekende wetenschappelijke naam Lythria purpuraria.
Zo krijgen we dankzij Goedaert een indruk van de insectenbenamingen en etymologische verhalen die in de zeventiende eeuw in omloop waren. Maar bij hem komen ook namen voor die nog steeds springlevend zijn: “Deze kleine diertjes zijn zelfs de kinderen bekent, die noemende in Holland, en Zeeland, en elders onze-Lieven-Heerens-beestjes (…), on-getwijffelt, om hare frayheid, ende nettigheid.” Goedaerts vermelding van de “onze-Lieven-Heerens-beestjes” in Holland en Zeeland, en de “onze-Lieve-Vrouwens-beestjes” in Vlaanderen en Brabant, is de oudste vindplaats van deze woorden in onze taal.

Lering
De insectenwereld was in Goedaerts ogen een spiegel van deugden en ondeugden die God de mens ter lering voorhoudt. Veel namen hebben betrekking op vermeende karaktereigenschappen, bijvoorbeeld al-te-traag, bedrieger, luyaard en hypocrijt; die laatste naam licht Goedaert zó toe: “alsmen hem eens aenraeckt, so rolt hy in malkanderen, ende blijft een tijdt langh gansch stil liggen, als of hy doot waer”. En de natneus heet zo “om dat hy so tot den dranck gheneghen was”.
Goedaert schrijft dat de gortworm “haeren oirspronck uyt ghemaelen gort” heeft, en hij is ervan overtuigd dat de kemps-haens made is “gesproten uyt een doodt ende bedorven kemp-haen”. Hoewel hij op basis van eigen waarnemingen de gedaanteverwisseling van de insecten van het eitje tot het volwassen dier beschreef, blijkt uit deze door hem toegekende namen dat Goedaert nog een aanhanger was van de leer der ‘generatio spontanea’, het aloude idee van Aristoteles dat insecten ‘vanzelf’ ontstaan uit dode materie.
Goedaert had kennelijk niet altijd talige inspiratie, want soms koos hij een wat minder sprekende naam, die de minimale verdienste had dat hij verschilde van andere namen. Zo komt hij op de rupsnaam onder-scheider (“Om onderscheid te maken; geve ik deze Rups den naam van Onder-scheider”).

Pijlstaart
De meeste van Goedaerts speelse woordvondsten zijn, sinds Linnaeus’ naamgeving is ingevoerd, in de vergetelheid geraakt, maar minstens twee zijn er in omloop gebleven, zij het via omwegen. Ten eerste is er de insectenbenaming pijlstaart. Deze is in het werk van latere entomologen als Steven Blankaart (1688), Jan Christiaan Sepp (1762) en Maarten Houttuyn (1767) overgenomen. Sepp herleidt het woord tot de driehoeksvorm van de rustende vleugels van de vlinder, en niet, zoals de bedenker Goedaert, tot de vervaarlijke stekel op de staart van de rups. Bovendien paste Sepp de benaming toe op een hele familie van vlinders en niet op een enkele soort. Hetzelfde deed Houttuyn in zijn Nederlandse vertaling van Linnaeus’ Systema naturae. Hierin koos hij pijlstaart voor de vlinderfamilie die Linnaeus in het Latijn Sphingidae (‘sfinxachtigen’) had genoemd, omdat de rups soms zijn bovenlichaam verheft en er dan uitziet als een sfinx. Tot op de dag van vandaag heet deze vlinderfamilie (1460 soorten wereldwijd, waarvan er 18 in Nederland voorkomen) in het Nederlands pijlstaart. De ene vlindersoort die Goedaert pijlsteert had genoemd, staat tegenwoordig bekend als pauwoogpijlstaart.

Drinker
En dan is er Goedaerts rupsennaam dronckaerdt. Sepp en Houttuyn noemen het insect rietvink, omdat deze nachtvlinder zich bij voorkeur in rietland ophoudt, en deze benaming is in het Nederlands de gebruikelijke geworden. Maar in 1758 had Linnaeus het diertje met een olijke knipoog en onder verwijzing naar Goedaert getooid met de wetenschappelijke naam Potatoria (‘drinkerachtige’). Vermoedelijk via Linnaeus is het beestje in het Engels bekend geworden als de drinker moth dan wel de drinker caterpillar. En ook in het Nederlands heet de rups nog steeds drinker.
[Hans Beelen en Nicoline van der Sijs (2018), ‘Natneus, molenaar, hypocriet. Insectennamen uit de zeventiende eeuw’, in: Onze Taal 7/8, 26-17.]

Natneus, molenaar, hypocriet; insectennamen uit de zeventiende eeuw

Hoe noem je een rups die telkens zijn kop in het water steekt en vervolgens zijn voorlijf omhoogbrengt om het genomen slokje naar beneden te laten zakken? In 1635 koos de toen nog maar 18-jarige insectenkundige en kunstschilder Johannes Goedaert (1617-1668) voor dronckaerdt: “Ick heb hem den Dronckaerdt ghenaempt om dat hy seer tot het drincken genegen was.” Goedaert, die ruim vierhonderd jaar geleden in Middelburg werd geboren, was de eerste die de metamorfose van insecten beschreef: de gedaantewisseling die ze doormaken van larve via pop tot volwassen dier. Daarvoor kweekte hij veel larven, maden en rupsen op.
De vraag hoe insecten ontstaan en opgroeien, was in de zeventiende eeuw een nog niet opgelost mysterie, dat vele geleerden bezighield. Goedaert beschreef in zijn driedelige levenswerk Metamorphosis naturalis, ofte Historische Beschryvinghe vanden Oirspronk, aerd, eygenschappen ende vreemde veranderinghen der wormen, rupsen, maeden, vliegen, witjens, byen, motten ende dierghelijcke dierkens meer (1660-1669) op basis van eigen waarnemingen zo’n 150 insectensoorten in woord en beeld. Verreweg de meeste insecten die hij behandelde, hadden nog geen naam. Hij rekende het tot zijn wetenschappelijke taak daar verandering in te brengen.

Malende kaken
Net als tegenwoordig was het in de zeventiende eeuw gebruikelijk om nieuwe insectennamen te baseren op een opvallend uiterlijk kenmerk. Ook Goedaert hield zich aan deze naamgevingsconventie, en dat leidde tot vaak schilderachtige insectenbenamingen, zoals ook blijkt uit het kader hiernaast. Goedaerts taalkundige vondsten verschillen van de moderne Nederlandse namen, en dat maakt zijn werk ook taalkundig interessant. Voor de meikever bedacht Goedaert bijvoorbeeld de naam molenaer. Goedaert vertelt dat dit in zijn omgeving de gebruikelijke aanduiding was, en dat zal zeker kloppen, want in het Zeeuwse dialect is het woord voor ‘meikever’ nog steeds meulenaer. De verklaring die Goedaert erbij verstrekt, is bepaald origineel. Volgens hem zijn de molenaren zo gaan heten “om datse de toppen vande jonge scheuten ende uytterste bladeren der perse-boomen, abrykosen, keersen, willige-boomen, pruymen, popelieren ende haeselaer geern eten, ende die weten te vermalen ende te verbrijselen”. Hij ziet dus een etymologisch verband met de malende kaken. Moderne etymologische woordenboeken verklaren de naam uit het feit dat een meikever er door zijn donzige beharing uitziet alsof er een laagje wit meel op zijn dekschilden zit. Voor beide verklaringen valt zeker iets te zeggen.

Wolf
De larve van de meikever werd volgens Goedaert in zijn tijd door de boeren kooren-worm genoemd “om dat hy inde kooren-landen groote schaede doet”. Zo ook weten we dankzij Goedaert dat de rups van een fraai paarsgestreept vlindertje in de zeventiende eeuw al “van ouwds her” bekend was als wolf, dit omdat het diertje de bloesem van de fruitbomen opat en daardoor aan de landbouw grote schade berokkende. Tegenwoordig kennen we dit vlindertje alleen onder de door Linnaeus in 1758 toegekende wetenschappelijke naam Lythria purpuraria.
Zo krijgen we dankzij Goedaert een indruk van de insectenbenamingen en etymologische verhalen die in de zeventiende eeuw in omloop waren. Maar bij hem komen ook namen voor die nog steeds springlevend zijn: “Deze kleine diertjes zijn zelfs de kinderen bekent, die noemende in Holland, en Zeeland, en elders onze-Lieven-Heerens-beestjes (…), on-getwijffelt, om hare frayheid, ende nettigheid.” Goedaerts vermelding van de “onze-Lieven-Heerens-beestjes” in Holland en Zeeland, en de “onze-Lieve-Vrouwens-beestjes” in Vlaanderen en Brabant, is de oudste vindplaats van deze woorden in onze taal.

Lering
De insectenwereld was in Goedaerts ogen een spiegel van deugden en ondeugden die God de mens ter lering voorhoudt. Veel namen hebben betrekking op vermeende karaktereigenschappen, bijvoorbeeld al-te-traag, bedrieger, luyaard en hypocrijt; die laatste naam licht Goedaert zó toe: “alsmen hem eens aenraeckt, so rolt hy in malkanderen, ende blijft een tijdt langh gansch stil liggen, als of hy doot waer”. En de natneus heet zo “om dat hy so tot den dranck gheneghen was”.
Goedaert schrijft dat de gortworm “haeren oirspronck uyt ghemaelen gort” heeft, en hij is ervan overtuigd dat de kemps-haens made is “gesproten uyt een doodt ende bedorven kemp-haen”. Hoewel hij op basis van eigen waarnemingen de gedaanteverwisseling van de insecten van het eitje tot het volwassen dier beschreef, blijkt uit deze door hem toegekende namen dat Goedaert nog een aanhanger was van de leer der ‘generatio spontanea’, het aloude idee van Aristoteles dat insecten ‘vanzelf’ ontstaan uit dode materie.
Goedaert had kennelijk niet altijd talige inspiratie, want soms koos hij een wat minder sprekende naam, die de minimale verdienste had dat hij verschilde van andere namen. Zo komt hij op de rupsnaam onder-scheider (“Om onderscheid te maken; geve ik deze Rups den naam van Onder-scheider”).

Pijlstaart
De meeste van Goedaerts speelse woordvondsten zijn, sinds Linnaeus’ naamgeving is ingevoerd, in de vergetelheid geraakt, maar minstens twee zijn er in omloop gebleven, zij het via omwegen. Ten eerste is er de insectenbenaming pijlstaart. Deze is in het werk van latere entomologen als Steven Blankaart (1688), Jan Christiaan Sepp (1762) en Maarten Houttuyn (1767) overgenomen. Sepp herleidt het woord tot de driehoeksvorm van de rustende vleugels van de vlinder, en niet, zoals de bedenker Goedaert, tot de vervaarlijke stekel op de staart van de rups. Bovendien paste Sepp de benaming toe op een hele familie van vlinders en niet op een enkele soort. Hetzelfde deed Houttuyn in zijn Nederlandse vertaling van Linnaeus’ Systema naturae. Hierin koos hij pijlstaart voor de vlinderfamilie die Linnaeus in het Latijn Sphingidae (‘sfinxachtigen’) had genoemd, omdat de rups soms zijn bovenlichaam verheft en er dan uitziet als een sfinx. Tot op de dag van vandaag heet deze vlinderfamilie (1460 soorten wereldwijd, waarvan er 18 in Nederland voorkomen) in het Nederlands pijlstaart. De ene vlindersoort die Goedaert pijlsteert had genoemd, staat tegenwoordig bekend als pauwoogpijlstaart.

Drinker
En dan is er Goedaerts rupsennaam dronckaerdt. Sepp en Houttuyn noemen het insect rietvink, omdat deze nachtvlinder zich bij voorkeur in rietland ophoudt, en deze benaming is in het Nederlands de gebruikelijke geworden. Maar in 1758 had Linnaeus het diertje met een olijke knipoog en onder verwijzing naar Goedaert getooid met de wetenschappelijke naam Potatoria (‘drinkerachtige’). Vermoedelijk via Linnaeus is het beestje in het Engels bekend geworden als de drinker moth dan wel de drinker caterpillar. En ook in het Nederlands heet de rups nog steeds drinker.
[Hans Beelen en Nicoline van der Sijs (2018), ‘Natneus, molenaar, hypocriet. Insectennamen uit de zeventiende eeuw’, in: Onze Taal 7/8, 26-17.]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

molenaar [exploitant van een molen] {in de persoonsnaam Lambrecht de Molnare 1266-1267, molenaer 1343} oudsaksisch, oudhoogduits mulinari, oudnoors mylnari < middeleeuws latijn molinariusmulder1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

molenaar znw. m. mnl. mōlenâre, meulenâre, os. mulineri, ohd. mulināri, on. mylnari < lat. molinārius. Een verkorte vorm is nnl. mulder, nhd. müller.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

molenaar znw., mnl. mōlenâre (ȫ) m. = ohd. mulinâri (nhd. müller), os. mulineri, on. mylnari m. “id.”. Uit lat. molinârius. Ndl. mulder, dial. = “molenaar”, vooral als familienaam bekend, is ’t zelfde woord als molenaar; vgl. voor den vorm hd. müller.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

molenaar m., Os. mulineri, uit Mlat. molinarium (-ius), een afleid. van Lat. molina = molen (z.d.w.): vergel. mulder 2. Als visch-, vogel- of insectnaam is het hetz. w., om de draaiende bewegingen of het snorrend geluid.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

molenaar (Latijn molinarius)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

molenaar ‘exploitant van een molen; naam voor verschillende dieren’ ->? Engels miller ‘exploitant van een molen; nachtvlindersoorten; freesmachine’; Frans dialect meulenard ‘vissoort waarop men vist in Duinkerken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

molenaar exploitant van een molen 1266-1267 [CG I] <ME Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut