Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

molen - (maalwerktuig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

molen zn. ‘maalwerktuig’
Onl. mulina, molina in plaatsnamen als Molenbeke ‘Meulebeke (West-Vlaanderen)’ [1112; Gysseling 1960], Molna ‘Mullem (Noord-Holland)’ [1152; Künzel]; mnl. molen ‘molen’ in de toenaam van heinkin vander molen [1212-23; VMNW], ook muelen [1291; VMNW].
Oude ontlening aan Laatlatijn molina [4e eeuw], een afleiding van molere ‘malen’ die de klassiek-Latijnse afleiding mola ‘molensteen, molen’ heeft vervangen. Latijn molere is verwant met → malen.
Os. mulin; ohd. mulīn; ofri. mol(e)ne, monle, moune, molle (nfri. mûne, mole); oe. mylen (ne. mill); on. mylna (nde. mølle). Daarnaast staat ook een kortere vorm mnl. mole, waarbij ook: mnd. mole; ohd. mulī (nhd. Mühle). Deze korte vormen konden ontstaan door herinterpretatie van de -n- als buigingsuitgang.
Wrsch. ging het bij de molen oorspr. om de door water- of windkracht aangedreven molen, die de oudere handmolen (onl. kwern [1199; ONW]) heeft verdrongen.
molenaar zn. ‘iemand die een molen exploiteert’. Mnl. molenare, muelenare als beroepsnaam van lambrecht. de molnare [1266-67; VMNW], Pieter die muelnare [1280; VMNW]. Afleiding van molen met het achtervoegsel → -aar, of rechtstreeks ontleend aan middeleeuws Latijn molinarius ‘molenaar’, dat met hetzelfde achtervoegsel is afgeleid van molina ‘molen’. In het Middelnederlands trad vaak syncope van de klinker in de tweede lettergreep op. Uit de vorm mnl. mulner ontstond vervolgens door invoeging van een overgangsklank (zie bijv.kelder) de nevenvorm mulder, die nog veel als eigennaam voorkomt.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

molen [werktuig tot fijnmalen van m.n. graan] {in de plaatsnaam Molenbeke, nu Meulebeke (W.-Vl.) 1112, molen(e) 1210-1240} oudsaksisch, oudhoogduits mulin, oudengels myl(e)n, oudnoors mylna < latijn molina, molinum [molen] (vgl. malen2). De uitdrukking hij loopt met molentjes wil waarschijnlijk zeggen dat iemands gedachten als een molen ronddraaien in zijn hoofd, dus dat het hem omloopt. De uitdrukking de molen is door de vang [de zaak is in de war] betekent lett. ‘de molen loopt door de rem’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

molen znw. m., mnl. mōlen(e), muelne, muelen, meulen, evenals os. mulin, ohd. mulīn, oe. mylen, myln (ne. mill), on. mylna en daarnaast een kortere vorm mnl. mnd. mōle, ohd. mulī (nhd. mühle), ofri. mole v. — Ontleend in vroeggerm. tijd uit het sedert de 4de eeuw overgeleverde lat. molīna of mv. molīnae, dat in de plaats van lat. mola getreden was. Uit vulg. lat. molīnum stammen ital. mulino, fra. moulin. Al deze woorden behoren tot de groep van malen. — Voor een Germ. benaming van een primitievere molen, zie: kweern.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

molen znw., dial. ook mö̅len, mnl. mōlen(e), mȫlen(e) v. m. Evenals ohd. mulîn, os. mulin, ags. myl(e)n (eng. mill), on. mylna v. “molen” een ontleening — door de volkstaal — uit laat-lat. rom. molîna (fr. moulin) “id.”, een afl. van het bij malen I genoemde lat. molo “ik maal”. Mnl. mole (ȫ), ohd. mulî (nhd. mühle), mnd. mōle, ofri. mole v. “molen” heeft denzelfden oorsprong. [Mnl. mnd. komt ook molle v. “id.” voor.] Oorspronkelijk de naam voor een van uit ’t Zuiden overgenomen verbeterde soort van molen; ’t Germ. bezat reeds een woord voor “molen”: vgl. kweern. Voor den vorm vgl. keuken.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

molen m., Mnl. molen, Os. mulin gelijk Ohd. id. (Mhd. müle, Nhd. mühle), Ags. myln (Eng. mill), On. mylna, en verder Fr. moulin, uit Lat. molinam (-a), een afleid. van molere = malen (z.d.w.); niet een afleid. van Germ. malen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

meule (zn.) molen; Aajdnederlands mulina <1112>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1meule s.nw. Ook meul.
1. Klein huishoudelike toestelletjie wat gebruik word om bv. peper, koffie of vleis mee fyn te maal. 2. Groot toestel wat hoofsaaklik meganies groot hoeveelhede van iets, bv. graan, fynmaal, of d.m.v. water of wind aangedryf word. 3. Gebou of plek waar iets deur 'n meule (1meule 2) verwerk word, veral graan of suiker.
Uit Ndl., gewestelik in Hollandse en Zeeuwse spreektaal in die vorm meule, mole naas meulen, molen (Mnl. muelene, molene). Reeds by Van Riebeeck (1651 - 1662) in die aanhaling "Eenige pattattisen (sijn) aan stuck gebroken ende gesneden in d' meulen ende droge gront geplant".

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

mo’len (de, -s), (i.h.b., gebr. in een suikerfabriek:) kort voor suikermolen, i.h.b. in samenst. - Syn. rietmolen*. Zie ook: windmolen*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetensckap en Kuns

meul I: – meule – , e.g. hoofs. Bolands, lg. hoofs. Ondervelds, “maaltoestel; gebou waarin dit gehuisves is”; Ndl. molen (Mnl. mōlen(e)/muelne/muelen/meulen), sonder -n Hd. mühle, Eng. mill (verb. m. molar, “maaltand”), Fr. moulin via Ll. molina/molinum uit Lat. mola, “meulsteen”, en ww. molere, “maal”, hou verb. m. Ndl. malen, Afr. maal II; by vRieb meulen(aer), ros- en watermeulen.

meul II: – meule – , kinderspel met klippies, skyfies, ens., op ’n speelbord, soms op klip geteken; kom nie ooreen m. het. v. Ndl. molen en molenspel in WNT (IX 1021-25) nie, in ’n mate wel m. vDal se negenhoeken/-stekken en Boek (ZV 645) se ww. molenen/meulenen en veral m. Dro (150-1) se molenspel (by Kil o.a. molen-spel), ook Hd. mühlenspiel en in Eng. (sedert 14e eeu bek. as) nine-men’s morris; verb. m. meul I (Dro “waarschijnlijk naar den vorm der figuur” lyk nie oortuigend nie, maar hoef nie uitgesluit te word nie).

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

molen 'maalwerktuig'
Onl. mulina, molina, molna, mnl. molen, muelne, muelen, meulen, ofri. mol(e)ne, monle, moune, molle, (nfri. mûne, mole), os. mulin, ohd. mulin, oe. mylen, myln, ono. mylna, alle met de betekenis 'maalwerktuig, molen'. Daarnaast ook een kortere vorm mnl. mole, waarbij ook mnd. mole; ohd. muli, nhd. Mühle. Oude ontlening in vroeggermaanse tijd aan Laatlatijns molina (4e eeuw). Oudste attestatie in plaatsnamen: 1152 Molna (→ Mullem)1. Een van de oudste vermeldingen van een poldermolen betreft die van Maarland in 1394 dat lant, ende die erve, daer onse watermolen ten Briele, op placht te wateren2.
Lit. 1Künzel e.a. 1989 256, 2Van Mieris III 610.

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

molen (Latijn molina)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Molen, van ’t Lat. molina (men nam den verbeterden „molen” van de Rom. over), afl. van molere = malen (z. d. w.). Ons woord molen is dus niet een Germ. maar een Romaansche afl. van den wt. mal. Het Germ. woord voor molen was bij ons kweern (als handmolen; mogelijk verwant met kern, zie Koren). Zie ook: Mulder.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

molen ‘werktuig tot fijnmalen van m.n. graan’ -> Zweeds mölla, SAOB ‘werktuig tot fijnmalen van m.n. graan’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins mylly ‘werktuig tot fijnmalen van m.n. graan’ ; Indonesisch molen ‘cementmolen’; Kupang-Maleis mol ‘(werktuig tot) fijnmalen van graan’; Singalees mōla ‘werktuig tot fijnmalen van m.n. graan’; Negerhollands mola, moela, mula, mulā ‘werktuig tot fijnmalen van m.n. graan; malen; molenaar’; Berbice-Nederlands molo ‘werktuig tot fijnmalen van m.n. graan’; Arowaks molo ‘werktuig tot fijnmalen van m.n. graan’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † mola ‘werktuig tot fijnmalen van m.n. graan’ ; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † mula ‘werktuig tot fijnmalen van m.n. graan’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

molen werktuig tot fijnmalen van m.n. graan 1112 [Claes] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1246. Dat is koren op zijn molen,

d.w.z. dat komt hem te pas, dat dient hem, dat bevalt hem, evenals den molenaar het koren dat hij krijgt te malen. Eerst bij Sewel, 496 trof ik deze zegswijze aan: Dat is koorn op zyn molen, that is profit for him; Harreb. I, 439. Ook kende men: dat is water op zijn molen (zie Winschooten, 157; Halma, 357 en vgl. hd. das ist Wasser auf seine Mühle, waarbij men te denken heeft aan den molen, die door stroomend water in beweging wordt gebrachtVgl. met deze spreekwijze Huygens, Oogentroost, 753: Want of 't quam af te soeten dat afgesprongen is, sijn' keucken most het boeten, sijn' Molen-beeck liep droogh (het sou met zijne verdiensten uit zijn).. In Limburg zegt men ook nog in denzelfden zin dat is boter op zijn wagen (Welters, 110); in Groningen: da's wind op zien meulen (Molema, 474 a). Voor Zuid-Nederland zie Schuermans, 279 a en 419 a: dat is olie in mijne lamp; Waasch Idiot. 364: dat is kooren op mijnen meulen; Teirl. II, 172: dat is koren op mijne meulen, dat is profijt voor mij; dat is voor mijne meening eene goedkeuring; Antw. Idiot. 1897. In het eng. that brings grist to his mill, dat is voordeelig voor hem; in het fr. faire venir de l'eau au moulin. Hiernaast ook geen koren van den molen sturen, geen werk van den winkel sturen; vgl. Halma, 357: Men moet het koren van zijnen molen niet afwijzen; Harreb. I, 439: Koren dragen op iemands molen, hem helpen; o.a. Het Volk, 15 April 1913, p. 6: Men moet hier geen koren dragen op den molen van den tegenstander; Nkr. VII, 17 Mei p. 6: 't Is een stommiteit, zoo iets te zeggen. Je draagt maar koren op den linkschen molen.

1533. De molen is (loopt of staat) door den vang,

d.w.z. de zaken zijn in de war; ook: het scheelt hem in het hoofd, hij maalt. ‘De vang (klem) dient om den molen te doen stilstaan; wordt deze niet in tijds vastgezet, dan is er naderhand geen houden aan den molen: hij maalt zich in den brand, of zijne wieken en zijn raderwerk worden kort en klein geslagen’ (Harrebomée II, 94 b). Vgl. De Brune Bank. II, 430: Al zijn reden is met hem, ghelijck een molen, door de vanck gheloopen. Voor de 18de eeuw vergelijke men Tuinman I, 227; 271 en Sewel, 833: De moolen loopt door de vang (alles loopt in 't wild), every thing is done in a hurry, all things are in confusion; V. Janus, II, 271; Ndl. Wdb. IX, 1023; Jord. 122; De Amsterdammer, 31 Dec. 1921, p. 1: Want de molen van deze wereld zou door de vang loopen, indien de vaart van het eigenbelang niet gestuit werd door de tegenkracht van de gemeenschapsidee. Zie ook Boekenoogen, 1106; De Vries, 102; Joos, 82 en 92: Als de molen door de prang staat = als het te laat is; Waasch Idiot. 836: Zijn meulen is deur de vang geloopen, zijne zaken loopen verkeerd; Antw. Idiot. 996: De meulen is deur de prang, er is geen verhelpen meer aan; oostfri.: de mölen is dör de fange; fri. de mounle is (of giet) troch de fang. In West-Vlaanderen: door de vange zijn, dronken zijn (De Bo, 1238).

1535. Hij loopt met molentjes,

d.w.z. hij is niet goed bij zijn verstand, hij heeft een slag van den molen weg; fri, hy rint mei moultsjes; gron. mit meulntjes loopen (Molema, 542), hetzelfde als het 18de-eeuwsche hij loopt in den rosmeulen (Halma, 550; Ndl. Wdb. XIII, 1407). Vgl. Brederoo, Moortje, 1590: U hooft gaet als een muelen: sinje met de kop equelt?; Gew. Weeuw. III, 48: Die Wijn is sterker dan ik dacht, die zou my de kop wel dol maaken, en met 't Molentje doen loopen; Halma, 358: Hij loopt met molentjes, il a un coup de hache, il a le timbre fêlé; Sewel, 496: Met molentjes loopen, to be a little crack-brained; Hoffham, Nagel-Geschrift (anno 1801), bl. 6, waar een boer, die boos is, omdat hem in het spel zulk een laffe rol is toebedeeld, uitroept:

 Ik roep nog mok; verdord! ik bin gien prul:
 Me waif speult veur prinses, en ik loop mit de meulen!

Harrebomée I, 327: Hij heeft een molentje in het hoofd, hij is gek; Nest. 108: Nu begrijp ik dat de jongen half gek is: zijn vader loopt met molentjes. Dial. 't Zijn maar molentjes, het is maar gekheid. De bedoeling zal wel zijn, dat iemands gedachten als de wieken van een molen hem in het hoofd ronddraaien, zich niet bij éen punt kunnen bepalen, dus dat het hem omloopt (no. 948). Reeds vroeg heeft men hieraan gedacht, blijkens Dboeck der Amoreusheyt (anno 1580), bl. 99, waar tot een ‘dwaes’ gezegd wordt: ‘ick sie wel dat touwent te deghe den muelen draeyt’, Kiliaen stelt molen gelijk met mallaerd, homo phantasticus, qui variis phantasmatibus et deliriis agitatur, tanquam mola ventis. Vgl. ook Cesare Ripa, Iconologia, vertaald door D.P. Pers, anno 1644, waar de ‘sotheyt’ of ‘malligheyt’ wordt afgebeeld door ‘een vrouwe die slordigh gekleet is, lacchende om een Meulentjen, dat iemand in de hand heeft, daer mede de kinderkens ommeloopen, en dat door den Wind gedraeyt wordt’; en waar iets verder de ‘Sotheyt, Geckheyt, Dwaesheyt’ wordt voorgesteld door ‘een bedaegt Man met lange swarte kleederen, lachende, en op een Rietstock te Paerde rijdende, houdende in zijn rechterhand een Meulentjen, een vermaeck daer de kinderkens mede speelen, 't welck hij met groote naerstigheyt in den Wind doet ommeloopen’; zie Noord en Zuid IV, 175-176. Hier dus reeds de verklaring, die ook Harrebomée II, 95 b geeft. Opmerking verdient, dat de sociëteit Momus te Maastricht nog een draaienden molen in haar wapen draagt en dat de molenaars oudtijds bekend stonden als lieden, die wel van een grapje hielden. Vgl. Van Zeden, 139: Ammans, muelneeren, die bedriven loosheit; Brederoo, Klucht v.d. Molenaar; Kalff, Het Lied in de Middeleeuwen, 410 vlgg.; Prick, 72: to have windmills in on's head. Syn. is: de wervel in 't hoofd hebben, half krankzinnig zijn (De Vries, 105).

1534. Een slag (een klap of een tik) van den molen weg (of beet) hebben,

d.w.z. eig. zulk een slag van den molen gekregen hebben dat men er van suizebolt, draait, en vandaar bij overdracht: niet wel bij het hoofd zijn, niet bij zijn verstand zijn; (van lotje) getikt zijn; fr. être toqué; hd. einen Klaps haben; eene algemeen en in de 17de eeuw reeds voorkomende uitdr. Zie o.a. Bank. II, 285: Veel taelkundige luyden, een zwingh van pedanterye, en een slagh van het waeytuygh hebben, dat-men molen noemt; Hondius, Moufeschans, 195:

 Vele sijnder die ter degen
 Van den meulen wel betaelt
 Hebben sulcken slach gecregen,
 Dat haer hooft noch altijts maelt.

Brederoo I, 247, vs. 126: Ay lieve loop vry speulen! gy murrewert, wat deed je soo nae an de meulen? Hoe rammelt jou dat hoofd, nou, sot, laet mijn met vreen! In denzelfden zin was bekend: een gons (van den molen) hebben (of weghebben), een molenslag hebben of een (halven) brui (van den molen) weghebben, waarvan voorbeelden te vinden zijn in het Ndl. Wdb. V, 399; IX, 1029; III, 1616. Zie verder van Effen, Spect. IX, 100; C. Wildsch. II, 234; Halma, 357: Eenen slag van den molen hebben, half gek zijn, avoir un coup de hache; vgl. Harreb. II, 95: Hij heeft een slag van den Kamper (of Jutfaaschen) molen weg (Tuinman I, 271) of van den molen van Tuil (zie Ndl. Wdb. VII, 581); Ndl. Wdb. IX, 1023; Uit één pen, 99: De man kan toch niet helpen, dat hij zooveel als een tik van den molen heeft; Zevende Gebod, 118: Se heit een klap van de molen te pakken; Nkr. I, 14 Juli p. 6: Wij zouden zeggen, ze kregen een klap van de molen of ze zagen ze vliegen; De Arbeid, 4 Oct. 1913, p. 4 k. 1: Ik geloof dat-i niet recht snik is of om op z'n Hollandsch uit te drukken een tik van den molen te pakken heeft; Handelsblad (avondbl.) 5 Dec. 1913, p. 9 k. 3: Zijn kameraden zeiden steeds, dat hij een klap van den molen beet had; 11 Juli 1914, p. 1 k. 4 (ochtendbl.). Eenigszins anders in Het Volk, 16 Juli 1914, p. 8 k. 3: Met een gezicht als kreeg hij een klap van den molen zat de geachte voorsteller te kijken. In Groningen zegt men: hij het 'n slag mit de mölnrou had; in Drente: een slag met de puil had hebben (Bergsma, 77); in Limb.: hê heet ene slaag van de rooi (Onze Volkstaal II, 226 b) en in Zuid-Nederland: 'n klets van de zweep weg hebben (zie Antw. Idiot. 664); hij heeft een draai weg; hij heeft een slinger; een slag van den slingermeulen of van de slingeren (vleugels) van den molen hebben; hij heeft een smeet van den meulen weg (Schuermans, 103; 623; 630); eenen tik hebben, een tik of slag van den molen of van het moleneinde hebben, (De Bo, 1151; Waasch Idiot. 435 a; Joos, 122); in het Friesch: hy het in slach mei de moalpûde (meelzak) hawn, waarmede te vergelijken is het 17de-eeuwsche een beuck hebbenNdl. Wdb. II, 2271.; oostfri. he hed 'n slag mit de sak had, en slag mit en Dummbüdel (Dirksen I, 83); Sart. I, 9, 22: ‘hy heeft een slach met de meelsack wech; hy heeft ter moolen geweest, in insanos competit’ en de vroeger herhaaldelijk voorkomende zegswijze van den molen (of met den meelbuidel, met den meele) bestoven zijn, zich mal aanstellenNdl. Wdb II, 2185; Kalff, Het Lied in de Middeleeuwen, 411 en Leuv. Bijdr. IV, 329: Die metten meelsac van tuylen zyn ghesmeten; Bank. II, 241; Als of ze van de molen bestoven, en haer herssens een slagh daer van wegh hadden; zie ook bl. 395; Smetius, 75: Hy en heeft gheen goet hooftvleesch; hy is te naer by de meulen geweest.. Zie no. 1535.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut