Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

mok - (duif, meeuw)

Thematische woordenboeken

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Grutte Mok Officiële friese naam voor de Grote Pijlstormvogel ↑ [Boersma 1994]. In ViF 1976: Greate Mok. Voor Mok, zie aldaar. De soort, een vogel van volle zee, en dan ten onzent ook nog eens een heel zeldzame, is nooit met zekerheid in Friesland gesignaleerd.

Mok Incidentele (kusthollandse) benaming voor de Zilvermeeuw. “Zeemeeuw” geven NEW 1992, vD 1970 en vDE 1993 (sub Mallemok), Pannekeet 1990 en B&TS 1995 op (1).
(2) Het is ook een volksnaam voor de Noordse Stormvogel [B&TS 1995; ViF 1976 p.116]. In deze laatste betekenis mag men echter rustig uitgaan van verkorting van Mallemok ↑.
ETYMOLOGIE De vogelnaam Mok lijkt geïntroduceerd door hollandse en friese zeevaarders met de samengestelde naam Mal(le)mokke ↑ voor één of meer soorten zeevogels, de Noordse Stormvogel (die op een Meeuw lijkt) en/of sommige Zeemeeuwen. Voor de etymologie van -mok moet dan ook ws. aansluiting gezocht worden bij deens Måge en noors Måke, beide ‘Meeuw’ ↑. Mogelijk circuleerde al langere tijd een Meeuwennaam die op -k eindigde (vergelijkbaar met oudnoords Máki) in streken buiten Scandinavië, want bij Jacob van Maerlant (c.1266) al lezen we: “Meauca dats der mewen name”.
[Wilms (960516,2/4; 000106,4; 000206,3) wijst op de tijdelijke interpretatie van “Mallemukken” als ‘malle muggen’, waarbij de om de boot zwermende Noordse Stormvogels met muggen(zwermen) werden vergeleken (volksetymologie of foute vertaling).]
NEW 1992 sluit verband met mhd mocke ‘klomp, kluit; ook: zeug’ waarin een grondbetekenis van ‘dik, gedrongen, (af)gerond’, niet uit. Verwante woorden zijn mok (voor diverse voorwerpen; >F moque) en mokkel ‘dik mollig kind of jonge vrouw’. Ook mnl mocke is in dit verband interessant, omdat het naast de betekenis ‘zeug’ ook die heeft van ‘slet, lichtekooi’. Het is niet uitgesloten dat deze betekenis (uiteraard geheel zonder reden voor wat het aandeel van de vogel betreft) ook meespeelde in de vogelnamen Mok, maar vooral de Mallemok. Het zou dan op ruw taalgebruik onder de zeevarenden kunnen wijzen, zoals we ook vinden bij de Kutke-Gaap ↑.
N.B.: Een ander woord, maar met ongeveer dezelfde betekenis, is Kob ↑. Hier is de ‘oerbetekenis’ (ook) een dier (of ding) met een korte ronde vorm, en is een (vrij) recente betekenis: ‘Zeemeeuw’. Dat beide woorden dezelfde klinker vertonen, is onvoldoende aanleiding om aan een onomatopee te denken, al valt deze mogelijkheid nooit geheel uit te sluiten.
TOPONIEMEN Mokbaai op Texel; Mokkebank, Zuidwest-Friesland.

Skiere Mok Officiële friese naam voor de Grauwe Pijlstormvogel ↑ [Boersma 1972]. ViF 1976 noemt geen friese naam, vermeldt (terecht) de soort niet (voor het vasteland van Friesland), maar de Noordzee langs de friese Waddeneilanden zal de soort vanaf 1970 (vele) officieel erkende waarnemingen hebben opgeleverd (vgl. ANV 1987 p.59). De Vries 1912 plaatst een “?” waar de friese naam had zullen staan. Voor Mok zie aldaar.

Etymologische (standaard)werken

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

mok 3 znw. v. m. ‘zeemeeuw’ (Noord-Holl. en Friesl.); indien naar de kleine gedrongen vorm zo genoemd, dan hetzelfde als mok 1.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

mok 2 v. (duif, meeuw), ook in haagmokke met De.-No. syn. gjærdesmutte, hagasmutte; z. mug.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut