Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

mof - (losse mouw)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

mof 2 zn. ‘kokervormig bontje of verbindingsstuk’
Vnnl. moffel ‘losse wollen of gewatteerde mouw om de polsen en handen warm te houden’ in moffels en wanten [ca. 1540; iWNT moffel], mof ‘id.’, in de oudste attestatie overdrachtelijk in houte moffen ‘mouten moffen, bepaald folterwerktuig’ [1642; WNT]; nnl. groote moffen ..., die aen een ceintuur om het lyf vast zyn [1733; WNT].
Ontleend aan Frans moufle ‘want’ [1223; TLF], ontleend aan middeleeuws Latijn muffula ‘id.’ [817; Niermeyer]. In het Nederlands werd de uitgang -el als verkleiningsuitgang geïnterpreteerd en kon de vorm mof ontstaan. Moffel is in het BN de gewone vorm, maar is in het NN verouderd; zie echter hierna de afleiding moffelen.
De verdere herkomst van het Franse woord is onbekend. In de andere Romaanse talen komt het woord niet voor en daarom vermoedt men wel Frankische herkomst. Men reconstrueert dan *mol-fel ‘zacht vel’, een hybride samenstelling uit het Romaanse woord voor ‘zacht’ en het Germaanse woord → vel. Zie ook → camoufleren.
moffelen ww. ‘doen verdwijnen’. Vnnl. moffelen ‘doen verdwijnen’ in inde handen moffelen ‘(iemand iets) in de hand stoppen’ [1608; iWNT], in de gront gemoffelt [1644; iWNT]; nnl. moffelen in zyn zak [1708; iWNT], vaak met een bijwoordelijke bepaling of eerste lid weg-: weg moffelde [1678; WNT], weggemoffeld [1700; WNT wegmoffelen]. Afleiding van moffel.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

mof2 [losse mouw] {moffe 1451-1500} verkort uit moffel1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

mof 2 znw. v. ‘handmof, polsmof’, sedert de 16de eeuw verkort uit moffel, vgl. mnl. moffel, muffel ‘handschoen van bont, mof’ < fra. moufle < mlat. muffula, muffla (sedert de 9de eeuw), dat men wel uit ofrank. *molfell ‘zacht vel’ heeft willen afleiden. — Uit het nnl. stammen verder nnd. nhd. ne. muff (sedert 1579), nde. muffe, nzw. muff.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

mof II (handmof, polsmof), sedert de 16. eeuw. Verkort uit het nog zuid-ndl. en dial. noordndl. voorkomende moffel “mof”, mnl. moffel, muffel “bonten handschoen, mof”, dat uit fr. moufle (mlat. muffula) “id.” ontleend is; dit is misschien van germ. oorsprong (mouw?). Ook in het Waalsch komt de vorm mofe voor. Nhd. nnd. eng. muff, de. muffe, zw. mufƒ “mof komen òf uit ’t Ndl. òf de ndl. vorm mof is onder invloed van een elders eerder opgekomen vorm zonder l-uitgang ontstaan.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

mof II (handmof, polsmof). De oorsprong van fr. moufle is onzeker; bezwaarlijk uit het germ. woord mouw. — De vorm zonder -el is in het Ndl. het oudst; de korte vormen van het Nhd. Nnd. Eng. De. Zw. (in de beide laatste talen via het Du. ontleend) dus wsch. naar het Ndl. De oudere ndl. vorm is in het Hd. ontleend als vroegnhd. muffel; -el- vormen komen ook nog zw. dial. voor.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

mof 1,. moffel v. (van bontwerk), gelijk Eng. muff, uit Fr. moufle, van Mlat. muffulam (-a), dat wellicht afgel. is uit Germ. mouw (z.d.w.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

4mof s.nw.
1. Mouvormige bedekking met openinge aan albei kante waarin die hande van weerskante af ingesteek word vir warmte. 2. Enige silindervormige omhulsel of verbindingstuk waarmee twee pype verbind word of die eindstuk van 'n pyp waarin 'n ander een pas.
Uit Ndl. mof (17de eeu in bet. 1, 1892 in bet. 2). Reeds in bet. 1 by Van Riebeeck (1651 - 1662).
Ndl. mof uit Fr. mouffle.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

mof II: 1. “handskoen sonder vingers” (in dié geval dikw. dim. moffie); 2. “verbindingstuk v. (water)pype”; Ndl. mof, sedert 16e eeu redukv. v. Mnl. moffel/muffel uit Fr. moufle uit Ll. muff(u)la, terwyl aan Ndl. redukv. mof wsk. ontln. is Eng. en Hd. muff en Ned. muffe.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

mof ‘losse mouw; ring tot verbreding van pijpen’ -> Engels muff ‘handwarmer; kuifje op vogelkop; vrouwelijke geslachtsorganen (slang); prostituee (slang); koppelstuk’; Duits Muff ‘handwarmer van bont’; Duits Muffe ‘buisverbindings- of aanzetstuk’; Deens muffedise ‘polsmofje’ ; Noors muffe ‘handwarmer van bont; koppelstuk’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds muffe ‘handwarmer van bont’ (uit Nederlands of Nederduits); Pools mufa ‘ring tot verbreding van pijpen’ (uit Nederlands of Duits); Hongaars muff ‘losse mouw’ ; Esperanto mufo ‘handverwarmer van bont; buisverbinding’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

mof losse mouw 1451-1500 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut