Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

mof - (scheldnaam)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

mof 1 zn. (NN) ‘Duitser’
Vnnl. injurieuse woorden, 'tzy mofmaff oft andere ‘kwetsende woorden, zij het mofmaff of andere (woorden)’ [1574; WNT], Hans Mof ‘scheldnaam voor een Duitse immigrant’ [1581; WNT], Sekere Mof ‘een zekere Duitse immigrant’ [1695; WNT]; nnl. Een Westphaalsche mof [1784; WNT].
Ontleend aan Duits Muff, scheldwoord voor ‘mopperaar, ongemanierde’, wrsch. een mopperklanknabootsend woord (Grimm).
Hierbij in het Duits ook: Muffel ‘mopperaar’, muffeln ‘mopperen’, Muff ‘bromtoon’. Vergelijkbare woorden zijn West-Vlaams moef ‘nors en zwijkzaam mens’, Antwerps moef ‘onvriendelijk mens’.
Aanvankelijk kwam Mof vooral voor in de pejoratieve modelnaam voor een Duitse immigrant Hans Mof. Hiervan bestonden in de 16e en 17e eeuw vele varianten, bijv. Hans Mofmaf, Hans Mifmaf, Hans Moefmans. Ook immigranten uit oostelijk Nederland werden wel zo aangeduid: Geldersche en Overysselsche Moffen [1734; WNT]. In de 17e en 18e eeuw werden vele zogenaamde moffenkluchten geschreven, die zeer populair waren, zodat het woord mof algemeen bekend raakte, eerst nog in de betekenis ‘Duitse immigrant’, later algemeen als ‘Duitser’, en op den duur ook zonder hoofdletter. Door de veranderende beeldvorming over Duitsers was “de term mof, hoe gemeenzaam ook, dikwijls vrij van minachting” [1906; WNT]; sinds de Duitse bezetting in de Tweede Wereldoorlog is mof alleen nog een pejoratief woord en in het BN ongebruikelijk.
Lit.: Sanders 2004, 130-133; F. Debrabandere (2006), ‘Bijnamen voor Duitsers’, in: Nederlands van Nu 3, 37-38

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

mof1 [Duitser] {mofmaff 1574, Hans Mof 1581} < hoogduits muff [scheve muil, bars iem.] (15e-eeuws), muff, mupf [de mond vertrekken], middelnederlands moffelen [een grote mond opzetten], vgl. mopperen; vgl. voor de betekenis Germaan.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

mof 1 znw. m., sedert de 16de eeuw, scheldnaam voor Duitser, wsch. uit de Duitse soldatentaal, waarin muff ‘knorrepot, ongemanierde persoon’ betekende, evenals nog Zuidnl. moef. Intussen betekent het nhd. muff eigenlijk ‘schimmel, muffe kelderlucht’ en in deze betekenis is het ontleend aan nnl. muf.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

mof I (Duitscher), sedert de 16. eeuw. Wsch. het van Duitsche soldaten overgenomene hd. muff m. “knorrepot, ongemanierde, niet spraakzame persoon”. In dgl. bet. komt ook vla. Antw. moef voor. ’t Oudnnl. nam ook den hd. bijvorm muffmaff over: oudnnl. komt mofmaff voor, benevens jongere ablautende vormen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

mof 2 m. (Duitscher), uit Opperrijnsch muff = scheeve muil, iemand die barsch is; de Ndl. vorm ware mop: z. moppen 2.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1mof s.nw. (neerhalend; verouderd)
Enige uitlander, veral 'n Duitser, Hollander of Engelsman, blykbaar met die bygedagte aan 'n persoon met blonde krulhare.
Uit Ndl. mof (1581) 'skeldnaam vir 'n Duitser, veral die Duitse soldaat'; later 'skeldnaam vir buitelandse arbeiders of bediendes, maar ook vir die bewoners van die oostelike provinsies'. Die benaming is dikw. in Ndl. t.o.v. bepaalde beroepe gebruik, soos blyk uit o.a. die samestellings brouwersmof, bakkersmof en slagersmof.
Ndl. mof uit D. Muff 'morpot, knorpot', wat wsk. deur o.a. soldate en kwaksalwers bekend geword het.

2mof s.nw.
Enige veedier wat nie opreggeteel is nie, maar 'n kruising is tussen 'n dier van 'n inheemse en 'n dier van 'n ingevoerde ras, veral merino en enige bees wat nie opreggeteel is nie.
Afleiding van mof (1mof), so genoem omdat die diere aanvanklik in Duitsland geteel en daarvandaan uitgevoer is.
Vanuit Afr. in S.A.Eng. in die bet. 'ingevoerde dier' (1910).

3mof s.nw. (seksisties; neerhalend; minder gebruiklik)
Moffie (1moffie 1).
Verkorting van moffie.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

mof I: 1. “wolskaap, merino” (misk. uit Duitsland ingevoer? vgl. bet. 2.); 2. “hees wat nie v. suiwer ras is nie” (misk. uit alg. ongunstige bet. v. Ndl. mof, veral op Duitsers toeg.).

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

mof: 1) Duitser. De moffenkeizer, zo noemde men Hitler in onze contreien. Een groot blond blauwogig persoon werd tijdens de Tweede Wereldoorlog een edelgermaan of een edelmof genoemd. Een moffenzeef was een draaibare radioantenne die men gebruikte om het effect van Duitse stoorzenders te verminderen. Daardoor kon men gemakkelijker de Engelse zenders beluisteren. Duitsland wordt Moffrika genoemd (reeds bij Willem Bilderdijk in 1820 en bij Heijermans in Kamertjeszonde, 1898). Moffrikaans voor Duits vinden we al terug in het werk van Beets.

Het woord mof is niet, zoals velen ten onrechte menen, ontstaan tijdens de oorlog. Het dateert al van de late middeleeuwen (16de eeuw). Het werd voor het eerst opgetekend in 1574. Toen was het al een scheldwoord voor een Duits soldaat. Wellicht werd het ontleend aan het Duitse woord Muff (chagrijnig persoon). Het Middelnederlandse werkwoord moffelen betekende ‘een grote mond opzetten’. In de zestiende eeuw had muff de betekenis van ‘scheve muil; bars persoon’. Anderzijds was er de uitdrukking zwijgen als een mof. Ook werd mof vroeger gebruikt door Amsterdammers als scheldnaam voor bewoners van de andere provincies. Een mof of een poep was een scheldnaam voor een Duitser in het algemeen, meer in het bijzonder voor de bewoners van Westfalen, die doorgingen voor zeer lomp en onbeschaafd. In 1942 schrapte Koenen het woord uit het woordenboek uit angst voor de Duitse bezetter. Pas in 1952 volgde rehabilitatie. Scheldnamen voor Duitsers doken vooral op tijdens de Eerste en Tweede Wereldoorlog. Vgl. Frans: boche; Doryphore; Fritz; Frisé; chleu; Fridolin; alboche; choucrouteman; Engels: Kraut; Jerry; Boche; cousin Michael; Fritz; Heinie; Hun (Duitsland was Hunland); squarehead en vele anderen.

Daar by had hy zig zo wel weten te confyten in de swier en manieren van die Natie, dat op zyn te rugkomst een van zyn Papa’s boeren luidkeels uitgeschreeuwt had, dat hy ’er puur uitzag, en sprak, als een Fransche Mof. (Justus van Effen, De Hollandsche Spectator, 29/08/1732)
Ach meid, die mof belatafelt de boel. (Alex De Haas, Het gezellige zussie en de ongezellige buurvrouw, 1945)
De mof knijpt ’m voor Churchill en voor ons. (K. Norel, Vliegers in het vuur, 1963)

2) (onder voetbalsupporters) supporters van clubs in de buurt van de oostgrens.

De scheldwoordenschat in Nederlandse voetbalstadions is ontstellend simplistisch van aard. Iedereen die niet uit de Randstad komt, is een ‘boer’, supporters van clubs in de buurt van de oostgrens heten ‘moffen’ of ‘NSB’ers’, Amsterdammers zijn ‘joden’ en MVV’ers ‘vlaaien’. (Elsevier, 09/11/2002)

3) (dialect, verouderd) schoolmeester.

Mof, scheldwoord voor schoolmeester; in het rijmpje: a, b, bof, de meester is ’n mof. (T. van Veen, Taal en Leven in de Utrechtse Vechtstreek, 1989)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

mof (Duits Muff)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

mof ‘Duitser’ -> Fries mof ‘Duitser’; Engels † Muff ‘scheldnaam, in het bijzonder voor Duitsers en Zwitsers’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

mof Duitser 1581 [WNT] <Duits

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1532. Een mof.

Het znw. mof komt sedert de latere Middeleeuwen voor als scheldwoord en kan ontleend zijn aan het hd. muff, een knorrepot, onbeleefd, ongemanierd mensch; zie het Mnl. Wdb. IV, 1836; Van Moerk. 282: een Hoochduytse hans mof maf (bij R. Visscher, Quicken, 5de schok: Hans mifmaf; vgl. hd. muffmaff). Vooral is dit znw. bekend in de sedert de 17de eeuw voorkomende zegsw. zwijgen als een mof, d.w.z. een diep stilzwijgen bewaren, vooral waar het een geheim betreft. Zie Tuinman I, 312; Van Effen, Spect. XII, 191: Dat waren luiden, die zwijgen konden, als moffen; Langendijk, Wederz. Huwelyks Bedrog, vs. 7; Twee W.B. 66: Pronk, kè je zwijgen? As 't mot as een mof; Ndl. Wdb. IX, 992; Schuermans, Bijv. 199-200; Antw. Idiot. 824: die moef spreekt geen enkel woord; fri. swije as in mof.Ook als scheldnaam voor de bewoners van andere provinciën werd mof vroeger door de Amsterdammers of Hollanders gebruikt. Zie W. Leevend VIII, 232: De Zeeuwen zijn nog al van de domste Moffen niet; bij Van Effen, Spect. XI, 217-218 is sprake van Utrechtsche, Geldersche en Overijselsche moffen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut