Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

moeten - (verplicht zijn)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

moeten ww. ‘verplicht zijn’
Onl. muoton ‘kunnen’ in thaz wir thich anasihen muozen ‘zodat we je kunnen aankijken’, thaz ich muoste dissolui ‘dat ik kon sterven’ [beide ca. 1100; Will.], ‘genoodzaakt zijn’ in thes most er the tiefere uallen ‘daardoor moest hij des te dieper vallen’ [1151-1200; Reimbibel]; mnl. moeten ‘verplicht zijn, genoodzaakt zijn; mogen, gerechtigd zijn’ in eíne brucke ... [d]ar man ouir gan muoet ‘een brug waar men overheen moet lopen’ [1201-25; VMNW], Niemen ... nemoet dragen suert ‘niemand mag een zwaard dragen’ [1236; VMNW], onder hare houede moten si wel hebben plumine cussine ‘onder hun hoofd mogen ze wel veren kussens hebben’ [1236; VMNW], binnen derden daghe moet hise gelden demesdaet al geel ‘binnen drie dagen moet hij hun de boete volledig betalen’ [1237; VMNW].
Os. mōtan ‘kunnen, mogen, moeten’ (mnd. möten); ohd. muozan ‘id.’ (nhd. mußen); ofri. mōta ‘id.’ (nfri. moatte); oe. mōtan ‘moeten, kunnen’ (ne. must, oorspr. ‘zou moeten’, nu ‘moet’); got. ga-motan ‘ruimte vinden’; < pgm. *mōt- ‘kunnen, de gelegenheid hebben’. Dit is een preterito-presens (zie ook → deugen), d.w.z. oorspr. een sterk werkwoord, in dit geval van de zesde klasse, waarvan de verleden tijdsvormen als presens gingen functioneren. Hierbij ontstonden vervolgens een nieuwe infinitief *mōtan- en een verleden tijd *mōt-ta-, wat klankwettig *mōssa- werd. Dat was als verleden tijd niet herkenbaar, en er werd dus nogmaals de verleden-tijds-t aan toegevoegd, wat via *mōsta- tot Nederlands moest leidde. Een vergelijkbare ontwikkeling onderging de verleden tijd van → weten.
De verdere etymologie is onbekend. Er is wrsch. geen verwantschap met → ontmoeten.
De betekenissen van moeten en andere modale hulpwerkwoorden als → durven, → kunnen, → mogen liggen dicht bij elkaar en zijn in de loop van de tijd ook wel in elkaar overgelopen. De betekenis ‘mogen’ was in het Middelnederlands heel gewoon, maar is in het Nieuwnederlands verouderd. De huidige hoofdbetekenis ‘verplicht zijn’ bestaat daarentegen ook al in de vroegste Middelnederlandse attestaties.
Lit.: G.A. Klarén (1913), Die Bedeutungsentwicklung von können, mögen und müssen, Lund

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

moeten* [verplicht zijn, behoren] {1201-1225} oudsaksisch, oudengels, gotisch motan, oudhoogduits muozan, oudfries mota; van moete, vgl. gotisch gamotan [plaatsvinden, ruimte vinden].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

moeten ww., mnl. moeten ‘moeten, mogen’, os. mōtan, ohd. muoʒan (nhd. müssen), ofri. mōta, oe. mōtan, ‘kunnen, gelegenheid hebben, mogen, moeten’, got. gamōtan ‘ruimte vinden’. Daarnaast mnl. moete v. ‘vrije tijd, tussenpoos tussen het werk’, os. mōta, ohd. muoʒa (nhd. musse) ‘vrije tijd; geschikte gelegenheid, mogelijkheid’.

De etymologie is onzeker. De verbinding met de idg. wt. *med ‘meten’ (waarvoor zie: meten) leidt tot een vrij gewrongen betekenis-ontwikkeling: is aan mij toegemeten > bezit; iets dat mij toegemeten is, bijv. ruimte, tijd, gelegenheid, kracht’. Maar indien men met J. Trier, Nachr. AW Gōttingen 1943 Phil. hist. Kl. 551 zowel meten als moeten als woorden beschouwt, die uit de vlechttechniek voortgekomen zijn, dan kan men er op wijzen, dat uit de gevlochten omtuining het begrip van omheinde ruimte, zoals voor de dingvergadering kan zijn ontstaan en dat dan een woord als moeten zich zowel in de bet. ‘ruimte hebben’ als die van ‘verplicht zijn’ daaruit laat afleiden. In dit geval zou men ook ontmoeten hiermee kunnen verbinden.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

moeten ww., mnl. moeten “moeten, in de gelegenheid zijn, mogen (ook in wenschzinnen)”. = ohd. muoʒan, kunnen, gelegenheid hebben, mogen, moeten” (nhd. müssen), os. môtan, ofri. môta, ags. môtan “id.” (eng. nog ’t ospr. praet. must), got. ga-motan “ruimte vinden”. Op een oorspr. bet. “vrijheid, gelegenheid hebben” wijst ook ’t znw. mnl. moete v. “vrije tijd, tusschenpoos tusschen werkzaamheden”, ohd. muoʒa (nhd. musse), os. môta v. “id.”, ohd. muoʒa ook = “mogelijkheid, geschikte gelegenheid voor iets”. Oorsprong onzeker. De vaak aangenomen verwantschap met ontmoeten is evenals andere hypothesen niet te bewijzen en niet te weerleggen. Ook vergelijkt men meten, de ô van ons praeteritopraesens (gol. ga-mot enz.) wijst echter eer op een ā̌- of ō̌-basis.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

moeten 2 o.w. (gedwongen zijn), Mnl. id., Os. môtan + Ohd. muoʒan (Mhd. müeʒen, Nhd. müssen), Ags. mótan (Eng. eigenlijk præt. must), Ofri. móta, Go. motan = plaats hebben. De oorspr. bet. is dus gelegenheid, vrijheid hebben, later behoefte hebben. Niet buiten het Germ. (z. ontmoeten).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

mote (ww.) moeten; Vreugmiddelnederlands muoten <1201-1225>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

moeten (moest): hoeft geen dwingende bet. te hebben. Als mevrouw naar de markt gaat, moet mevrouw zeep kopen, klinkt in SN normaal. Wat moet U? voor ’Wat belieft U?’ of ’Waarvoor bent U gekomen?’ is niet onbeleefd.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

moes II: ww., verl. tyd v. moet, by Trig o.a. ook mos (lRo T DLT 250); Ndl. moest (Mnl. en dial. moeste/moste).

moet II: ww., gedwing/verplig wees om ... ; Ndl. moeten (Mnl. moeten), Hd. müssen, Eng. must (eint. verl. tyd, vgl. moes II), herk. onseker; by Trig (lRo T DLT 250) soms mot, vgl. ook sy gebr. v. mos vir moes s.v. moes II.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

moeten ‘verplicht zijn, behoren’ -> Zweeds måste ‘gedwongen zijn’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands moet, moe, mo, mut ‘verplicht zijn, behoren’; Berbice-Nederlands mu, muti ‘verplicht zijn, behoren’; Sranantongo mu ‘verplicht zijn, behoren’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

moeten* verplicht zijn, behoren 1201-1225 [CG II1 Floyris]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1530. Moeten is dwang.

Men antwoordt dat aan een kind, dat schreit en dwingt en zegt: ‘ik moet dat hebben’; ook als antwoord op een bevel dat men iets ‘moet’ doen, en men zich niet laat gebieden. De zegswijze moeten is dwang kwam in de 17de eeuw voor in den zin van: als men gedwongen wordt, kan men niet anders; wat moet, dat moet; zie Winschooten, 156: Moeten is dwang beteekend te scheep sagjes voortdouwen; Halma, 357: Moeten is dwang, als men gedwongen werd kan men niet anders, il faut céder à la force; Sewel, 495: Moeten is dwang, one must yield to force; Harreb. 169. In den tegenwoordigen zin komt de zegswijze voor in 't fri. moatten is twang, wel verzoeken, niet gebieden; Molema, 273: mouten is dwang, ik laat me niet dwingen; Antw. Idiot. 827: Moeten is dwank en schreeuwen is kinderzank (bij ons ook met dit laatste toevoegsel); Waasch Idiot. 442: Moeten is bedwang en krijschen is kinderzang; Tuerlinckx, 397; Rutten, 147: Moeten is bedwang en grijzen (krijschen, weenen) is kinderzang; nd. Möten is Dwang, voor den drang der omstandigheden moet men wijken (Wander III, 790); vgl. eng. want must be his master (als antwoord op ‘he wants’).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut