Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

moeras - (drassig land)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

moeras zn. ‘drassig land’
Mnl. marasc, marasch ‘drassig land, moeras’ in Een marasch ghinc om die stede ‘er lag een moeras rondom de stad’ [1285; VMNW], beede in marasscen ende in riuieren ‘zowel in moerassen als in rivieren’ [1287; VMNW], morasch [1407-32; MNW sacken]; vnnl. moerasch, moorasch [1599; Kil.].
Hetzelfde woord als → meers ‘drassig land’ < onl. *mariska. De klinker in de tweede lettergreep en de eindklemtoon van mnl. marasc wijzen echter op ontlening via een Noord-Frans dialect (Oudfrans marasc, maresc, mareis, Nieuwfrans marais). De huidige Nederlandse vorm met -oe- in de eerste lettergreep ontstond onder invloed van → moer 2.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

moeras [drassig land] {moerasch 1599, vgl. maras (met als eenmalige variant morasch), mares 1287} < oudfrans mares(c), noordelijk maras(c), dat uit het germ. stamt, vgl. meer1; de vorm moeras o.i.v. moer3.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

moeras znw. o., sedert Kiliaen moerasch, dat in de plaats gekomen is van mnl. maras, marasch, mares m.o. ‘moeras’ < ofra. marasc (noordfra. naast mares, maresc) > frank. *mariska, afl. van *mari ‘meer, zee’. Op dit frankische woord gaat ook terug mars 2. — Zie verder: meer.

De oe van de jongere vormen berust op de invloed van moer 3. — Het nhd. morast < nnd. moras is op dezelfde wijze veranderd, nu onder invloed van nnd. mōr, dat zelf weer ontleend werd als nhd. moor. Ook nde. morads, nzw. moras stammen uit het nd. Daarentegen kan ne. morass (sedert 1655) uit het nl. stammen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

moeras znw. o. De vorm met oe, sedert Kiliaen (moerasch), is onder invloed van ’t nu in het alg.-Ndl. verouderde moer (het, de), mnl. moer m. o. “slik, veenaarde, veengrond, moeras” ontstaan uit mnl. maras, marasch, mares m. o. “moeras” < ofr. mares, maresc, (noordfr.) marasc “id.” (fr. marais; < rom. *marĭscu, dat wsch. niet is afgeleid van lat. mare “zee”, maar veeleer uit germ. *mariska- is ontleend, waarop ook ags. mersc m., eng. marsh “moeras”, mnl. nnl. dial. mersch, marsch, meersch m. v., mnd. marsch, mersch, masch v. (o.) “laagland, moerasland” teruggaan en dat is afgeleid van het bij meer I besproken *mari- “meer”). Uit het Fr. ook meng. mareis (eng. morass, onder ndl. of ndd. invloed) en (met gelijke vervorming als ndl. moeras) mnd. m̌oras (> nhd. morast m., de. morads, zw. moras). Mnl. moer = ohd. muor o. “moeras”, zelden “meer”, os. môr o. (uit het Ndd. nhd. moor m. o.), ags. môr m. (eng. moor) “moeras”, in ’t Ags. ook “hooggelegen woeste bodem”. Germ. *môra- is een vṛ̣̣̣ddhi-vorm = “meerachtig(e grond)” bij *mari- (meer I.). Minder wsch., maar mogelijk is verwantschap van *môra-, idg. *mâ-ro- met ier. môin “moeras, veengrond”, lat. mânâre “vloeien”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

moeras. Bij mnl. moer adde: ofri. môr o. ‘moeras’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

moeras o., gelijk Hgd. morast, Eng. morass, Zw. moras en De. morads, uir Fr. marais, van Mlat. maragium, een afleid. van Lat. mare = zee (vergel. meersch). De oe kwam door invloed van moer 2.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

moeras s.nw.
1. Waterversadigde grondgebied met plantegroei, of moddermoeras 2. Moeilike situasie met geen of min hoop op uitkoms.
Uit Ndl. moeras, moerasch (1599 in bet. 1, 1655 in bet. 2).
Ndl. moeras, moerasch (met oe na analogie van moer) uit Mnl. maras, marasch, mares uit Oudfrans marasc, maresc uit Germ. marisk- (lg. hou verband met Ndl. meersch en marsch).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

moeras (Picardisch marasc)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Moeras (Mnl. maras, morasch) ontleend aan ’t Oudfr.: maresc en dit van ’t Lat. mariscum, waarin mare (= zee, ons meer) op water wijst; moeras is dus: waterig land. (Verwant is marsch.) De oe in moeras is blijkbaar hieruit ontstaan, doordat men dacht aan moer = modderige veengrond. Vondel zegt nog: „Gezegend is het land, waar ’t volk zijn moer verbrandt”. – Anderen houden ’t Oudfr. maresc ontleend aan ’t Germ, en wel aan ’t bijv.nw. marisko, letterlijk: zee- of meerachtig; mari = zee, meer.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

moeras ‘drassig land’ -> Fries moeras ‘drassig land’; Engels morass ‘drassig land; gedoornd hoornblad (Brits-Indië)’; Duits Morast ‘drassig land’; Deens morads ‘drassig land’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors morass ‘drassig land’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds moras ‘drassig land’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans dialect marasse, maras', mar(r)ache, morasse ‘drassig land; modderpoel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

moeras drassig land 1599 [Kil.] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut