Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

moer - (veen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

moer 2 zn. ‘drassig land’
Onl. *muor (of ofri. *mōr?) ‘veengebied’ in toponiemen, bijv. Gottingamora (ligging onbekend, wrsch. met een aanduiding voor een groep personen als eerste lid) [771-814, kopie begin 13e eeuw; Künzel], Murkerka ‘Moerkerke (West-Vlaanderen)’ (met een tweede lid ‘kerk’) [1110, kopie 13e eeuw; Gysseling 1960]; mnl. tote sgrauen moer ‘tot aan de veengrond van de graaf’ [1251-75; VMNW], dat se zouden deluen ... vp ten zeluen moer ‘dat ze zouden delven (turf winnen) op dezelfde veengrond’ [1278; VMNW], ook wel algemener ‘drassig land’.
Os. mōr (mnd. mōr; door ontlening nhd. Moor); ohd. muor; nfri. moar, moer; oe. mōr (ne. moor); on. mœrr (nno. møra); alle ‘drassig land’, < pgm. *mōra-, een ablautende variant van → meer 1 ‘zoetwaterplas’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

moer3* [veen] {in de vroegere plaatsnaam Gottingamora (ligging onbekend) <771-814>, moor, moer [slik, veengrond, moeras] 1340-1350} middelnederduits, oudsaksisch, oudfries, oudengels mōr, oudhoogduits muor; ablautend met meer1, dus oorspronkelijk ‘meerachtig of zeeachtig land’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

moer 3 znw. o. (gewestel. vooral noord-brab.) ‘veengrond, veenmoeras’, mnl. moer ‘slijk, moeras’, os. mōr o. ‘moeras’, ohd. muor o. ‘moeras’, ook wel ‘meer’, oe. mōr m. (ne. moor) ‘moeras’ en on. mærr v. ‘moerassig land’ < germ. *mōra; daarnaast abl. meer. — Zie ook: moeras.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

moer 2 o. (drasland), Mnl. id., Os. môr + Ohd. muor (Mhd. id.), Ags. mór (Eng. moor), On. mór: staat tot meer (már) als voer tot varen. Hgd. moor is uit Ndd.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

moer 'veengebied, plaats van zoutwinning'
Onl. mora, ofri. môr, nfri. moar, moer, os. môr, mnd. môr, ohd. muor, oe. môr, ono. mœrr, alle 'drassig land', een ablautende variant van meer 'waterplas'. Vanuit de betekenis 'drassig land' respectievelijk 'veengebied' ontstaan door differentiatie in gebruik de betekenissen 'plaats van zoutwinning' en 'wingebied van turf', als synoniem van veen, vergelijk 1244 quendam morum que vulgariter vena nuncupatur1. Oudste attestaties in plaatsnamen: 771-814, kopie 13e eeuw Gottingamora (mogelijk in Fresia)2, ws. 802-817 kopie 1150-1158 in Texalmore (op of in de omgeving van Texel)3, ws. 802-822 kopie 1150-1158 in Adingamora (Noord-Holland of Friesland)4 en idem in Austmora, ws. 819-ca. 825 kopie 1150-1158 Longonmor en waarschijnlijk 2e helft 9e eeuw in Bretenmore (alle drie op of in de omgeving van Texel)5, 855 ingevoegd ca. 890 kopie 9e of begin 10e eeuw in Aspanmora (Friesland)6 en idem in Nordmora, in Odigmore (beide in Kennemerland)7.
Lit. 1OBHZ 644, 2Künzel e.a. 1989 145, 3Idem 353, 4Idem 57, 5Idem 281, 217, 98, 6Idem 72, 7Idem 262, 268.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

moer ‘veen’ -> Frans dialect moere ‘droogmakerij, polder (in Vlaanderen)’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

moer* veen 0771-814 [Claes]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut