Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

moeien - (lastigvallen, betrekken bij)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

moeien ww. ‘lastigvallen, betrekken bij’
Mnl. moeyen ‘tergen, kwellen, hinderen’ in dat mi muoiet sere ‘dat hindert me zeer’ [1220-40; VMNW], Dar men tormente ende moien. Soude. die gheuanghene mede ‘waarmee men de gevangene zou pijnigen en kwellen’ [1285; VMNW], Die sere souden moien de stede ‘die (het) de stad zeer lastig zouden maken’ [1285; VMNW]; vnnl. si ... moeyde haer des oorlochs niet ‘ze bemoeide zich niet met de oorlog’ [1530; MNW].
Mnd. möien ‘lastigvallen, kwellen’; ohd. muoen ‘vermoeien, kwellen’ (nhd. sich mühen ‘zich moeite geven’); ofri. mōia ‘lastigvallen; gerechtelijk vervolgen’ (nfri. muoie ‘spijten’); got. *-mōjan (op grond van afmauiþs ‘vermoeid’); < pgm. *mōjan- ‘hinderen, kwellen’. Hierbij horen ook de afleidingen → moe ‘uitgeput, vermoeid’ en → moeite ‘inspanning’.
Verwant met: Russisch májat' ‘uitputten’; < pie. *meh3- (LIV 425). Misschien horen hierbij met -l-achtervoegsel ook Latijn mōlēs ‘moeite, last’, zie → molecuul, en Grieks mõlos ‘strijd’. Bjorvand/Lindeman veronderstellen echter pgm. *mō- < *hmō- en herleiden dit tot pie. *ḱmeh2-, bij de wortel *ḱemh2- ‘moe worden, zich vermoeien’ (LIV 323), waaruit onder meer Grieks kámnein ‘zich inspannen, moe worden’. Deze betekenissen laten zich echter moeilijk verenigen met de overgankelijke betekenissen van het Germaans.
Uit de algemene betekenis ‘lastigvallen, vermoeien’ ontstonden in het Middelnederlands diverse betekenisnuances, waarvan sommige zijn overgegaan op afleidingen met een voorvoegsel, zoals → bemoeien ‘bekommeren’, meestal wederkerend ‘zich mengen in, zich met iets bezighouden’ (letterlijk ‘zich op iets toeleggen, zijn best op iets doen’) en vermoeien ‘uitputten, afmatten’. Het verl.deelw. gemoeid komt voor in de vaste verbinding met of in iets gemoeid zijn ‘op het spel staan, erbij betrokken zijn’, zoals in er is leven en dood mee gemoeid [1784; iWNT dood I].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

moeien* [moeite veroorzaken] {mo(e)yen [lastig vallen, kwellen] 1220-1240} middelnederduits moien, oudhoogduits muoen, oudfries moia, gotisch afmauiþs [vermoeid]; buiten het germ. grieks mōlos [moeite], russisch majat' [vermoeien] → moelje.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

moeien ww. mnl. moeyen, mōyen ‘moeite veroorzaken, lastig vallen, vermoeien’, mnd. mōien, ohd. muoen ‘lastig vallen, kwellen, boosmaken’ (nhd. mühen), vgl. got. afmauiþs ‘vermoeid’. — russ. máju, majati ‘vermoeien, kwellen’, lat. mōlēs v. ‘last, massa’, mōlior ‘met moeite in beweging brengen’, gr. mō̃los ‘inspanning, moeite’, lit. prisimuoléti ‘zich inspannen’ (IEW 746). — Zie ook: moede, moeilijk, moeite en moeizaam.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

moeien ww., mnl. moeyen, moyen “moeite veroorzaken, lastig vallen, vermoeien”. = ohd. muoen “lastig vallen, kwellen, boos maken” (nhd. mühen), mnd. môien “id.”, got. *môjan, blijkens af-maúiþs “vermoeid”. Identisch met russ. májat' “vermoeien, lastig vallen”. Van een idg. basis mō̆-, waarvan ook moede, gr. mōlos “inspanning, strijd”, wsch. ook lat. môlês “last, massa”, mŏlestus “lastig”, lett. malîtës “sich dringend bemühen”. Wellicht is mô- een ablauttrap van emô-, omô-, dan zijn on. ama “lastig vallen, smadelijk behandelen”, oi. ámîti “hij dringt aan op, verzekert dringend” verwant. Hierbij ook gr. ómnūmi “ik zweer”?

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

moeien. Adde: Ofri. môia ‘lastig vallen’ (ontleend?).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

moeien ono.w., Mnl. moeien + Ohd. muojan (Mhd. müejen, Hhd. mühen), Go. afmauiþs (= vermoeid) + Gr. mõlos= inspanning. Lat. moles = last, massa, molestus = lastig, Ru. majat′ = vermoeien: Idg. wrt. .

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

moeien, ww.: beledigen. Mnl. moeyen, moyen ‘het iemand lastig maken, kwellen, pijn doen, tergen, verdrieten’. Ohd. muojan, Mnd. möien, Mhd. müejen, müen ‘verdrieten’, D. sich mühen ‘zich moeite geven’, Ofri. môia ‘lastigvallen’, Fri. muoie ‘spijten’, Got. *-môjan. Germ. *môjan ‘hinderen, kwellen’, in moe, moeite.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

mō-, mo-lo- ‘sich mühen’

Gr. μῶλος ‘Anstrengung, Mühe’, μωλέω, kret. μωλίω ‘prozessiere’, μῶλυς ‘ermattet’, vielleicht μόλις ‘kaum’ (ο für ω nach μόγις); ἄ-μοτος ‘unermüdlich’; lat. mōlēs f. ‘Last, Masse’, Denom. mōlior, -īrī ‘mit Anstrengung wegschaffen’, mŏlestus ‘verdrießlich, lästig, beschwerlich’ (Analogie zu modestus); got. af-mauiþs ‘ermüdet’, ahd. muoan, mhd. müen, müejen ‘beunruhigen, beschweren’, ndl. moeijen ‘belästigen, bemühen’; ahd. muodi, as. mōði ‘müde’, ags. mēðe ‘müde, betrübt’, aisl. mōðr ‘müde’; lit. pri-si-muolėti ‘sich abmühen’; russ. máj-u, -atь ‘ermüden, plagen’, majá, majetá ‘Plage, harte Anstrengung’, usw.

WP. II 301 f., WH. II 101 f., Trautmann 188;wohl zu mē-5.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal