Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

moed - (onverschrokkenheid, dapperheid)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

moed zn. ‘onverschrokkenheid, dapperheid’
Onl. muot ‘onverschrokkenheid, zelfvertrouwen; stemming; geest’ in an muodis ouirferdi ‘in een overmaat van zelfvertrouwen’ [10e eeuw; W.Ps.], Themo so ze muode is ‘hem is het zo te moede’ [ca. 1100; Will.], zo themo ist unse muot gekart ‘daarnaar is onze geest gewend’ [1151-1200; Reimbibel]; mnl. moet ook ‘gemoed, innerlijk’ in andirs seric is min muoet ‘anders bedroefd is mijn gemoed’ [1201-25; VMNW] en ‘heftige gemoedsbeweging’ in Inde sinen muot bedwingen ‘en zijn opwinding bedwingen’ [1270-90; VMNW].
Os. mōd (mnd. mōt); ohd. muot, alle ‘gemoed, geest, moed’ (nhd. Mut ‘moed’); ofri. mōd ‘gemoed, moed, wil’ (nfri. moed ‘moed’); oe. mōd ‘gemoed, moed, levenskracht’ (ne. mood ‘stemming’); on. móđr ‘opgewondenheid, woede’ (nzw. mod ‘moed’); got. moþs ‘moed, woede’; < pgm. *mōda-.
Zeker verwante woorden buiten het Germaans ontbreken. De verdere herkomst is dan ook onduidelijk. Er wordt wel verband verondersteld met: Latijn mōs ‘zede, gewoonte’, mv. ‘karakter, wijze van denken’; Grieks mõsthai ‘streven’; Oudkerkslavisch sŭměti ‘durven’ (Russisch smet'); Tochaars B maiyyo ‘kracht’. Al deze woorden zouden terug te voeren zijn op een wortel pie. *meh2- ‘sterk van wil zijn, heftig streven’ (IEW 704). Een door sommigen verondersteld verband met de woorden → moeien en → moe is formeel mogelijk (Bjorvand/Lindeman), maar is om semantische reden niet aannemelijk.
Oorspr. duidt het woord in de Germaanse talen iemands geest, gemoed, ziel en de daaruit voortkomende wil aan, gesteld tegenover het verstand. Deze algemene betekenis werd vernauwd tot sterke gemoedsbewegingen als woede en onverschrokkenheid. In de late middeleeuwen werd de laatste betekenis overheersend in het Nederlands en Duits, terwijl de algemenere betekenissen sindsdien uitsluitend werden gedragen door de afleiding → gemoed.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

moed* [flinkheid] {oudnederlands muod 901-1000, middelnederlands moet [hartstocht, drift, gemoedsbeweging, gemoed, verstand]} oudsaksisch, oudfries, oudengels mōd (engels mood), oudhoogduits muot, oudnoors mōðr, gotisch mōðs. Voor de uitdrukking in arren moede [toornig] vgl. middelnederlands erre, eerre, arre [in de war, boos, spijtig], oudhoogduits irri, middelhoogduits/hoogduits irre, oudengels yrre, gotisch airzeis, buiten het germ. latijn errare [dwalen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

moed znw. m., mnl. moet m. ‘gemoed, gemoedsbeweging, hartstocht, moed, trots, stemming, wil, geest, verstand, mening’, onfrank. muod,. os. mōd, ohd. muot (nhd. mut), ofri. mōd m., oe. mōd o. (ne. mood), on. mōðr, got. mōds m. — Idg. wt. *mā ‘in gemoedsbeweging zijn, streven’, vgl. gr. maíomai ‘trachten, streven’, maimáō ‘heftig wensen’, mē̃nis ‘toorn’, osl. sŭměją ‘wagen’ (IEW 705), vgl. ook toch. Β maiyya ‘kracht’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

moed znw., mnl. moet (d) m. “gemoed, gemoedsbeweging, hartstocht, moed, trots, stemming, wil, lust, geest, verstand, meening”, = onfr. muod, ohd. muot (nhd. mut), os. ofri. môd m., ags. môd o. (eng. mood), on. môðr, got. mods m., in dgl. bett., die uit een grondbet. “geest, gemoedsbeweging” zijn af te leiden. Verwant zijn gr. maíomai “ik streef’, mōsthai “streven”, mēnis “toorn”, obg. sŭ-měją, sŭ-měti “wagen, durven”, wellicht ook lat. môs “wil, willekeur, gewoonte”. Slechts een los vermoeden en niet wsch. is de afleiding van moed van idg. dhmâx- “ademen”, een ablautsvorm van dhem-âx- (zie damp); germ. *môða- zou dan op *ðmôða- teruggaan.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

moed m., Mnl. moet, Onfra. muod, Os. môd + Ohd. muot (Mhd. id., Nhd. mut), Ags. mód (Eng. mood), Ofri. mód, On. módr (Zw. en De. mod), Go. mods = gemoedsstemming, toorn + Gr. maíomai = streven, mẽnis= toorn, Lat. mos = willekeur, gewoonte, Osl. měti = wagen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

mood (zn.) moed; Aajdnederlands muot <901-1000>.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?,

Moed snw. As iemand ’n dier sny, word gesê hy moet oppas om nie die moed af te sny nie. – Dijkstra II, 173: “Moed, gevoelige leven in het vlees. In run dy op ’e moed snein is, makket in bulte kinsten.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Moed van ’t Germ. moda en dit van een Voorgerm. wt. me of mo = bewogen zijn. Oorspr. gaf moed dan ook alleen de stemming, de gesteldheid van ons binnenste aan, vgl.: bang te moede; hoogmoed = hooge moed, hoog gevoel, hoog karakter; deemoed (z. d. w.) enz. Later kreeg het meer de bet. van onverschrokkenheid des harten in moeilijkheden of gevaren.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

moed ‘flinkheid’ -> Negerhollands mud ‘flinkheid’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

moed* flinkheid 1351-1400 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

116. In arren moede,

d.w.z. in gramschap, in toorn, in woede; t.w. bij de vermelding van een handeling, die iemand onder den invloed van dien hartstocht verricht. Het bijv. naamw. arre, mnl. in den regel erre, beteekent oorspr. verdwaald, spoorbijster (vgl. hd. irre); vandaar buiten zich zelven van aandoening of hartstocht, en vervolgens verbolgen, verstoord, toornig, welke beteekenis in de middeleeuwen reeds zeer gewoon was. Toen ook kwam herhaaldelijk voor in erren (arren) moede, waarnaast evenzeer met of van erren moede, in den zin van in een kwade luim, in een vlaag van drift, met een booze of dollen kop, in woede, in toorn, in drift. Zie Mnl. Wdb. II, 716 en Ndl. Wdb. II, 573-575, waar vele bewijsplaatsen, ook uit vroegere eeuwen, worden gegeven. Synonieme uitdr. zijn in euvelen moede (mnl. in evelen moede, van evelen moede) en in grammen moede (thans verouderd).

1524. De moed zinkt hem in de schoenen,

d.w.z. hij verliest den moed, hij laat den moed zakken; fri. de moed giet him yn 'e hakken sitten. Vgl. Marnix, Byenc. 190 a: Hy mochte de moedt heel ende al tot in de hielen laten sincken; Idinau, 266:

 Van sulcke de moedt in de schoenen sinckt
 Die, uyt vreese en anxt, den moedt verliesen.

Vgl. Vondel, Rosk. 48: Hoe sou sijn fiere moed hem in de schoenen sincken; Sart. I, 9, 39: Animus mihi in pedes decidebatZie Homerus, Ilias, O, 280: Ταρβησαν, πασιν δε παραι ποσι καππεσε θυμος., mijn moet sonck my in mijn knie; Tuinman I, 208: Zyn moed zakt hem in de hielen; Harreb. I, 308 a; III, 24 a; Suringar, Erasmus XII, en verder onze uitdr. den moed laten zinken, zakken; het hart zakt hem in de schoenen, waarnaast in Vlaanderen iemand het hart opdraaien, hem bemoedigen; zie Ndl. Wdb. IX, 917; Afrik. sy moed het in sy skoene gesink; vgl. no. 845.

1525. Zijn moed koelen aan iemand,

d.w.z. zijne drift, zijne woede tot bedaren brengen door wraak, zich wreken op iemand. Het znw. moed beteekent hier gemoedsgesteldheid, bepaaldelijk die waarin het gemoed verkeert bij toorn en ziedende, kokende gramschap, mnl. evele moet, evelmoet, zoodat de uitdr. eig. wil zeggen zich op iemand wreken, waardoor de gramschap afkoelt, bedaart. Sedert de middeleeuwen is sinen moet (ver)coelen bekend; zie het Mnl. Wdb. IV, 1810 en vgl. verder Vondel, Gijsbr. van Aemst. vs. 1491; Palamedes, vs. 1194; Joseph in Egypten, vs. 1177; Hooft, Ned. Hist. 783: Aan Winsum koelden de Grooningers hunnen moedt; Winschooten, 115: Syn moet koelen, sijn gramschap vreeken, en vreekende doen bedaaren: gelijk men seid: sijn moet ergens aan koelen; Tuinman I, 312; Halma, 376: Ergens zynen moed aan koelen, zijne gramschap aan toonen, assouvir sa colère, enz.; hd. sein Mütchen (oder Mütlein) an einem kühlen; nd. seinen Môd kölen (Eckart, 375); it. sfogar la bile (uit laten branden).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut