Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

mode - (trend)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

mode zn. ‘trend’
Vnnl. mode ‘een mate, maniere’ [1553; Van den Werve], mode ‘toonsoort, “modus”’ [1567; WNT Aanv. imperfect], mode ‘wijze, methode’ [1574; Claes 1994a], mode ‘eigen manier’ in ghecleedt ... elck naer zijn fantaisie ende mode [1562-92; MNW], de Spaansche mode ‘de Spaanse wijze van kleden’ [1617; WNT zienlijk], de Fransse mode ‘het Franse gebruik’ [1666; WNT]; nnl. de philosophen ... volgen ... de mode hunner wetenschap [1771; WNT].
Ontleend aan Frans mode ‘algemene leefwijze’ [ca. 1393; TLF], ‘manier’ [1452; TLF], ‘manier van kleden’ [1480; TLF], ‘toonsoort’ [1547; TLF], dat weer ontleend is aan Latijn modus ‘maat, leefwijze’.
Latijn modus is wrsch. ontwikkeld, met ablaut, uit *medo- en dan verwant met Oskisch meddíss ‘rechter’ (< *medo-dik-s), Umbrisch meřs ‘recht, gezag’ (< *med-os). Zie verder → meten.
Andere woorden die op afleidingen van Latijn modus teruggaan zijn → modaal 1, → modaal 2, → modern.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

mode [trend] {1574} < frans mode < latijn modus [maatstaf, het maat houden, wijze, manier] → mal1, meten.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

mode znw. v., in de 16de eeuw met bet. ‘manier’ < fra. mode < lat. modus. Later werd ook de jongere bet. ‘tijdelijk gebruik in de wijze van kleden’ overgenomen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

mode znw. In de 16. eeuw met de bet. “manier” ontleend uit fr. mode (< lat. modus). Daarna ontwikkelde zich onder invloed van ’t fr. woord de bet. “mode”. Ook elders ontleend.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

mo’de: mode maken (maakte, heeft gemaakt), zich mooi maken, zich (modieus) opdoffen. Baas! Ik wil niet dat je zo je mode maakt met pak en al! (Cairo 1978b: 34). - Etym.: S meki modo = lett. id. (modo = mode; pronk).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

mode (Frans mode)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

mode ‘trend’ -> Indonesisch mode ‘trend, stijl’; Ambons-Maleis modo ‘trend’; Javaans mod(oné) ‘in de mode, gewoonte’; Kupang-Maleis modo ‘trend’; Menadonees modo ‘trend’; Ternataans-Maleis modo ‘trend’; Sranantongo modo ‘trend’; Sarnami modo ‘trend’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

mode trend 1574 [Claes] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal