Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

modder - (slijk, mengsel van aarde met water)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

modder zn. ‘slijk, mengsel van aarde met water’
Onl. *moda in de plaatsnaam modekote ‘onbekende plaats in Overijssel’ (met een tweede lid ‘kleine woning’) [wrsch. 12e eeuw; Künzel]; mnl. moder, muedre ‘modder, slijk’ in Jn eenen waterlosen pit. Dar muedre inne was harde vele ‘in een waterloze put waar zeer veel modder in zat’ [1285; VMNW], modder ‘id.’ [1390-1410; MNW-R].
Ontstaan uit mnl. modre, moder door geminatie van de medeklinker voor -r-, zoals ook in → akker.
Mnd. moder, modder ‘modder, slijk’ (waaruit door ontlening; mhd. moder, nhd. Moder ‘verrotting, molm’; nzw. mudder), nfri. modder; < pgm. *mudra- ‘modder, slijk’. Hierin is *-ra- wrsch. een achtervoegsel, getuige de semantisch nauw verwant woorden: mnl. mod, modde ‘modder, vuiligheid’ [1477; Teuth.]; mnd. mudde ‘modder’; mhd. mot ‘id.’; me./ne. mud ‘id.’; nzw. modd ‘vuile sneeuw’.
Verdere etymologie onzeker. Misschien verwant met: Sanskrit mūtra- ‘urine’; Avestisch mūþra- ‘vuiligheid’; Iers mothar ‘moeras’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

modder* [mengsel van aarde en water] {mod(d)er, mudder, mo(e)der [slik, moeras, droesem] 1287} middelnederduits modder, middelhoogduits moder, engels mother, naast middelnederlands modde, middelnederduits mudde, middelengels mudde (engels mud); buiten het germ. grieks mudros [gloeiende massa], van mudan [vloeibaar, doornat zijn], middeliers mún [pis], avestisch mūthra- [feces], oudindisch mūtra- [pis].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

modder znw. m., mnl. modder, moddere, mudder, muddere, mōder, mōdere, meudere m. v., mnd. modder m., ‘modder’, mhd. moder m. (nhd. moder) ‘moeras, modder, rottend lichaam’. Een kortere vorm is Teuth. modde, mod ‘vuiligheid, modder’, nnl. dial. modde ‘vrouwmens, vuil wijf’, mnd. mudde ‘modder in sloten’, ne. mud ‘modder’, nzw. modd ‘vuiligheid van sneeuw’ en oostfri. mudden ‘bevuilen’, muddig ‘vuil’. Daarnaast staan woorden met anl. s zoals nnl. dial. smoddig, Teuth. smoddich, westf. smudelig ‘vuil’, mhd. smuz (nhd. schmutz), ne. smut ‘vuiligheid’ en ook vla. smodder ‘modder’, mnl. besmodderen, besmuederen, me. bismoteren ‘bevuilen’. Met modder zijn te vergelijken oi. mū́tra- o. ‘pis’, av. mūθra- o. ‘vuiligheid’, ook miers mothar ‘struikgewas, dichte massa’, niers mothar ‘moeras’.

De idg. wt. *meut (vgl. nog. arm. mutc ‘donker’) is een dentaalafl. van *meu, *mu ‘vochtig, modderig, bevuilen’, vgl. miers mūn m. ‘pis’, mūr ‘modder’, lett. maût ‘onderduiken, zwemmen, zuipen’, osl. myją, myti ‘wassen, spoelen’, pools mul ‘modder’. — Deze wortel heeft een aantal afleidingen en wel:
met dentaal: *meud zie: motregen
*meut zie: modder.
met gutturaal: *meug, zie: moker
*(s)meugh zie: smokkelen
*meuk vgl. me. mugen ‘nevelig worden’, on. mugga ‘motregen’ en lat. mucus ‘slijm’, mucor ‘schimmel’, gr. múxa ‘slijm’, kymr. mign ‘moeras’.
met s: *meus zie: mos 1.
Zie voor deze woordgroep IEW 741-743.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

modder znw., mnl. modder(e), mudder(e), mōd(e)r(e) (nog vla. more), mȫd(e)re m. v. Vermoedelijke germ. grondvormen: *muð(a)ra-, -ô-, *muðira-, -ô-. Vgl. mhd. (md.) moder m. “moeras, modder, rottend lichaam” (nhd. moder), mnd. modder m. “modder”. Verwant zijn Teuth. mod(de) “vuiligheid, modder”, dial. en oudnnl. modde “vrouwmensch, vuile vrouw”, mnd. mudde “dikke modder in slooten”, eng. mud “modder”, zw. modd “vuiligheid van sneeuw”. Buiten ’t Germ. vgl. vooral oi. mū́tra- “pis”, av. mûϑra- “vuiligheid, faeces”, dat op de vocaalquantiteit na identisch is met modder. *Mū̆tro- komt van een wortel mū̆-, waarvan ook ier. mûn “pis”, kyprisch mulásasthai· tò sōma ē tēn kephalēn smēxasthai, obg. myti “wasschen” komen. Een verlenging hiervan is idg. mū̆d-, waarvan ier. muad “wolk”, gr. mūdáō “ik ben nat, rot”, lit. máudyti “baden”, misschien ook oi. mudirá- “wolk” komen; vgl. motregen. Hiernaast neemt men wel smu-, smut-, smud- aan voor ndl. dial. smoddig, Teuth. smoddich, westf. smudelig “vuil”, nnd. smudde-pot “pot voor vuil”, vla. smodder “modder”, laat-mnl. besmodderen, besmuederen “bezoedelen”, vla. smotterachtig “modderig”, mhd. smuz (nhd. schmutz) m. “vuiligheid”, smotzen “vuil zijn”, eng. smut “vuiligheid”, meng. bismoteren “bevuilen, bezoedelen”. Zoolang echter geen zekerder combinaties gevonden zijn dan met nier. smûid “rook, damp”, is ’t geraden niet van een idg. smu-t-, smu-d-, maar van een eerst wgerm. smud-, smut- te spreken.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

modder. Bij idg. *mū̆d- ook mnl. (overijs.) motte (nog in saks. diall. en fri. mot, motte), mnd. mutte v. ‘zeug’?
Zie nog mooi Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

modder v., Mnl. modder, moder + Hgd. moder, Eng. mother: een afleid. van *mod, Mnl. modde, Mdd. mot, Eng. mud, Zw. modd + Skr. mūtram = pis, Zend. mûθra = vuiligheid, verder Oier. mún = pis, muad = wolk, Gr. mudáein = nat zijn, Skr. mudiras = wolk; z. ook smodderen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

modder, modde ‘mengsel van aarde en water’ -> Engels mud ‘mengsel van aarde en water’; Duits Moder ‘mengsel van aarde en water’ (uit Nederlands of Nederduits); Deens mudder ‘mengsel van aarde en water’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors mudder ‘mengsel van aarde en water’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds mudder ‘mengsel van aarde en water’ (uit Nederlands of Nederduits); Ests muda ‘mengsel van aarde en water’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands moder ‘mengsel van aarde en water’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

modder* mengsel van aarde en water 1287 [CG NatBl]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut