Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

mobiel - (verplaatsbaar, beweeglijk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

mobiel 1 bn. ‘verplaatsbaar, beweeglijk’
Vnnl. mobilen ende immobilen goeden ‘roerende en onroerende goederen’ [1536; WNT legaat II]; nnl. mobiel ‘verplaatsbaar’ [1760; WNT Aanv. immobiel], mobiel [1808; WNT Aanv. ambulance], mobiel [1847; Kramers].
Ontleend, deels via Frans mobile ‘beweegbaar’ [1377; TLF], aan Latijn mōbilis ‘id.’, een afleiding van movēre ‘bewegen’, zie → motor.
De vaste verbinding vnnl. mobile goederen is een leenvertaling van middeleeuws Latijn bona mobilia ‘roerende goederen’, Laatlatijn res mobiles ‘id.’. Ook het Oudfrans erfwoord moeble betekende aanvankelijk ‘roerend (goed)’ en kan de Nederlandse betekenis beïnvloed hebben; zie → meubel.
immobiel bn. ‘onbeweeglijk’. Vnnl. immobilen goeden ‘onroerende goederen’ [1536; WNT legaat II]; nnl. immobiel ‘niet verplaatsbaar’ [1760; WNT Aanv.], immobiel ‘onbewegelijk’ [1824; Weiland]. Ontleend, via Frans immobile ‘onbeweeglijk’ [1370-72; TLF], aan Latijn immōbilis ‘id.’, afleiding van mōbilis met het voorvoegsel → in- 2 ‘niet’. Hierbij hoort het zn. BN immobiliën ‘vastgoed, onroerend goed’.

mobiel 2 zn. (NN) ‘mobiele telefoon’
Nnl. eerst als bn. in mobiele telefoons [1990; NRC], naar mobiel ‘naar een mobiele telefoon’ (in een tabelkop versus naar vaste lijn) [1994; Consumentengids, 787], mobieltje ‘mobiele telefoon’ [1995; Algemeen Dagblad], mobiel ‘id.’ in Hij geeft gemiddeld vijftig gulden uit per maand aan zijn mobiel [1997; Trouw].
Verkorting van mobiele telefoon, met het bn.mobiel 1 ‘verplaatsbaar’. Misschien gevormd onder invloed van het op dezelfde manier gevormde Brits-Engelse mobile ‘mobiele telefoon’ [1986; OED3] voor mobile (tele)phone [1945; OED3].
Eerder bestond al mobiel (ook mobile) ‘decoratief voorwerp dat door luchtstromingen beweegt’ [1961; Van Dale].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

mobiel [beweeglijk] {1830} < frans mobile < latijn mobilis [beweeglijk, beweegbaar], van movēre [(heen en weer) bewegen, in beweging brengen] (vgl. meubel).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

mobiel (Frans mobile)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

mobiel voorzien van eigen transportmiddelen 1830 [WNT] <Frans

mobiel(tje) mobiele telefoon 1994 [PC+ 6/10, 17, 11] <Engels

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal