Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

mist - (nevel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

mist zn. ‘laag van gecondenseerde waterdamp, nevel’
Mnl. mist ‘verdichting van waterdamp’ in Quam hem een mist an aldar ter stede ‘werd hij daar plotseling door mist overvallen’ [1287; VMNW], wolken ende misten ende donkere roken [1450-1500; MNW].
Mnd. mist; nfri. mist; oe. mist ‘mist, nevel’; on. mistr in de samenstelling þokumistr ‘dichte mist’; < pgm. *mihsta- ‘mist, nevel’.
Verwant met: Grieks omíkhlē ‘nevel’; Sanskrit megha- ‘wolk’; Oudiers mēgha ‘wolk’; Litouws miglà ‘nevel’; Oudkerkslavisch mĭgla ‘nevel’ (Russisch mgla); Armeens mēg ‘nevel’; bij de wortel pie. *h3meigh- (IEW 712).
Lit.: J. Sverdrup (1915), ‘Über die Lautverbindung hs im Germanischen, besonders im Altnordischen’, in: IF 35, 149-164, hier 154

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

mist* [verdichting van waterdamp] {mistkijn [dampje] 1287, miste 1301-1350} nederduits, oudengels mist [duisternis, somberte], oudnoors mistr; buiten het germ. grieks omichlè [nevel], litouws migla, oudkerkslavisch mĭgla [nevel], armeens meg, oudindisch meghaḥ [wolk].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

mist znw., mnl. mist, mest m., mnd. oe. mist (ne. mist) m. ‘mist, nevel’, daarnaast on. mistr o. Grondvorm germ. *mihstaz (Sverdrup IF 35, 1915, 154). — oi mēgha- ‘wolk’, arm. mēg ‘nevel’, gr. omichlē ‘nevel’, lit. miglė̃, osl. mĭgla ‘nevel’ (IEW 712). — Zie ook nnl. dial. miggelen, miegelen, fri. miggelje ‘motregenen’.

Men denkt aan een bet. ontw. ‘het donker worden door nevel’ en vergelijkt met andere gutturaal lat. micare ‘schemeren, glimmen’, mnd. mnl. micken ‘scherp waarnemen, op iets doelen. Jóhannesson, Isl. Wb. 658 vergelijkt verder nog nijsl. mjata ‘glanzen’ en komt dan verder tot de begripsbepaling ‘flikkeren, met de ogen knippen’. — Maar men zal veeleer moeten uitgaan van een bet. ‘druppelen’ en dan kan men wijzen op de zinverwante woorden, die onder miezerig genoemd zijn. Eerder zou men dan kunnen aanknopen aan het ww. miegen (waarvoor zie: mest); dat de idg. grondvorm in dit geval *meiĝh en niet *meigh is, behoeft geen bezwaar te zijn, daar gutturalen en palatalen dikwijls met elkander wisselen. Men kan verder wijzen op de indische voorstelling van de regenwolken als hemelse koeien. — J. van Ginneken, Taaltuin 4, 1935-6, 60-62 behandelt de synoniemen (met een kaart), zoals doom in west vla., domp in zeeuws, dook in gron., smoor in westvla., smook, smuik in oostvla.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

mist znw., mnl. mist, mest m. = mnd. ags. mist m. (eng. mist) “mist, nevel”; een langere stam in on. mistr o. “id.”. Kan òf met de bij miezerig besproken woorden en eventueel hoogerop met oi. méṣati (Dhâtupàtha) “hij bespringt, bevochtigt” verwant zijn òf op germ. *miχsta- teruggaan en van de basis meigh- (niet te verwarren met meiĝh-; zie mest) komen, waarvan ook ndl. dial. miggelen, miegelen, fri. miggelje “motregenen”, gr. homikhlē “wolk”, obg. mĭgla, lit. miglà, arm. mêg “nevel, mist”, oi. meghá- “wolk”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

mist 2 m. (nevel), Mnl. id. + Ndd. id., Ags. (Eng.) id., On. mistr: uit Ug. *mig-st- + Skr. meghas, Zd. maeγō, Arm. mêg = wolk, Gr. omíkhlē. Osl. mǐgla, Lit. id. = nevel: Idg. wrt. meiɡh wel verwant met wrt. meig͂h van mest (z.d.w. en ook miggelen).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

mis (zn.) mist, nevel; Vreugmiddelnederlands mist <1287>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

mis III: sigbare waterdamp; Ndl. mist (Mnl. mest/mist), Eng. mist, mntl. verb. hoërop m. Gr. (h)omiχlê, “mis”.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

mist (de -- ingaan) (Jiddisch mischt)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Mist, van den Idg. wt. migh == regenen, zich uitgieten; Skr. megha = wolk; mih = regen, nevel.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

mist ‘verdichting van waterdamp’ -> Vastelands-Noord-Fries mist ‘verdichting van waterdamp’; Duits Mist ‘nevel, heiig weer’ (uit Nederlands of Engels);? Deens mist ‘nevel’ (uit Nederlands of Engels); Zweeds mist ‘lichte nevel’ (uit Nederlands of Engels).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

mist* verdichting van waterdamp 1287 [CG NatBl]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut