Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

missen - (niet treffen; niet meemaken, ontberen; ontbreken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

missen ww. ‘niet treffen; niet meemaken, ontberen; ontbreken’
Mnl. missen ‘niet raken’, overdrachtelijk in dat her bedechtenlike. Nie dar ane ne missede ‘opdat hij niet opzettelijk (iets) daarvan achter zou houden’ [1200; VMNW], ‘ontberen, niet meemaken of ondergaan’ So dat niman ne moge messen An v van helpen ‘zodat niemand uw hulp zal ontberen’ [1265-70; VMNW], ghauelotten ... Die allegader sijns misten ‘speren, die hem allemaal niet raakten’ [1285; VMNW]; vnnl. missen ‘de afwezigheid van iemand of iets als pijnlijk ervaren’ in Soo sagh men eerst, doen Cato doodt was watmen miste [1616; iWNT]; nnl. ‘ontbreken’ in Aan dezen broedrenkring mist nog een enkle broeder [1784; iWNT].
Mnd. missen; ohd. missen (nhd. missen); ofri. missa (nfri. misse); oe. missan (ne. miss); on. missa (nno. missa); alle ‘niet raken, ontbreken, ontberen e.d.’, < pgm. *miss-jan-, afleiding van het bn. *missa- ‘afwijkend, verkeerd’, zie → mis-.
De ruimtelijke betekenis ‘niet raken’ is al oud en in bijna alle Germaanse talen aanwezig. Hierbij is al vroeg de overdrachtelijke betekenis ‘niet meemaken, niet waarnemen, niet ondergaan e.d.’ ontstaan. Het ongemak of leedwezen dat daar meestal mee gepaard gaat, leidde tot een betekenisuitbreiding ‘de afwezigheid (van iemand of iets) als pijnlijk ervaren’. Relatief jong, maar inmiddels algemeen gangbaar, is het onovergankelijke gebruik van missen ‘ontbreken’, dus met de ontbrekende zaak als onderwerp. Het WNT bestempelde dit in 1906 nog als “ongewoon gallicisme”, namelijk naar het voorbeeld van Frans manquer, dat zowel ‘niet raken’ als ‘ontbreken’ betekent, maar wrsch. is hier sprake van een gewone inheemse ontwikkeling, zoals ook het geval is bij vele andere overgankelijke werkwoorden in het Nieuwnederlands, met name in de 20e eeuw (Van der Horst 1999: 139-144).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

missen* [niet treffen] {1200} middelnederduits, oudhoogduits missen, oudfries, oudnoors missa, oudengels missan, is vermoedelijk van mis2.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

missen ww. mnl. missen, messen ‘niet raken, dwalen, ontberen, in gebreke blijven’, mnd. ohd. missen, ofri. missa, oe. missian, on. missa; afl. van mis 3.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

missen ww., mnl. missen, “missen, ontberen, verliezen, in gebreke blijven, het mis hebben, niet raken”. = ohd. (nhd.) missen “missen”, mnd. missen “missen, niet treffen, ontberen, zondigen”, ofri. missa “missen”, ags. missan “niet raken, ontgaan” (eng. to miss), on. missa “niet treffen, ontberen, missen, verliezen”. Behoort eer als afl. van een participium *missa- > idg. *mit-to- bij mijden, dan bij mis- II. Hiervan zou wel een ww. met de bet. “verkeerd treffen” of “verkeerd maken” kunnen komen, maar niet met de bett. “niet raken” en “desiderare, carere”. Bij mnl. te misse slaen “mis slaan” e.dgl. zou men aan een verbaalnomen van missen kunnen denken; toch is de onder mis III medegedeelde combinatie waarschijnlijker.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

missen o.w., Mnl. id., denomin. van een partic. afl. van mijden: Ug. *miss- uit Idg. mit-t.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

mis IV: verkeerd, nie gelyk/raak nie (b.nw. en bw.); Ndl. mis (Mnl. mes/mis, “verkeerd, ongelyk”), verb. m. Eng. amiss; hierby die ww. mis, “nie raak nie”; Ndl. missen (Mnl. messen/missen), Hd. (ver)missen, Eng. miss.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

missen (er mist iets) (vert. van Frans il manque quelque chose)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

missen ‘niet treffen, niet hebben, ontberen’ -> Negerhollands mis ‘ontberen, gebrek hebben’; Berbice-Nederlands mesi ‘ontberen’; Sranantongo misi ‘niet lukken, falen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

missen* niet treffen 1200 [CG II1 Servas]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1522. Iemand kunnen missen als kiespijn,

d.w.z. in het geheel niet op iemand gesteld zijn; zie Harreb. I, 399: Ik kan hem missen als kiespijn; V. Schothorst, 173; P.K. 116; Falkl. V, 53: Op zoo'n manier kon z'm missen als kiespijn; Kalv. II, 48: 'k Kan zoo'n armen slokkert missen als kiespijn; Het Volk, 20 Sept. 1913, p. 1 k. 1: Het laat ons tamelijk koud, al kon het kabinet ons missen als kiespijn; Molema, 535: Missen kennen als koeskillen (kiespijn), er liefst van verschoond blijven. Vgl. in West-Vlaanderen: Iets noodig hebben lijk rook in de oogen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut