Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

mispel - (appelachtige boom, vrucht van die boom (Mespilus germanicus))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

mispel zn. ‘appelachtige boom, vrucht van die boom (Mespilus germanicus)’
Mnl. mispel ‘mispel (vrucht)’ [1240; VMNW], mispelen ‘mispels (bomen)’ [1480-1500; MNW-P].
Ontleend, maar net als enkele andere vruchtnamen als → peer, → kers al vroeg in de Romeinse tijd, aan Latijn mespila ‘mispel(struik)’, een nevenvorm van mespilum, dat ontleend is aan Grieks méspilon ‘mispel (boom en vrucht)’, een leenwoord uit een onbekende voor-Griekse taal.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

mispel [vrucht] {mispel(e), mespel(e) 1201-1250} < oudfrans mesple < latijn mespilum < grieks mespilon [idem].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

mispel znw. v. m., mnl. mespele, mispele v., mnd. mispele, mispel, ohd. mespila, nespila (nhd. mispel) is in de Karolingische tijd ontleend < lat. mespila mv. van mespilum < gr. méspilon. Naast de vormen met m stonden ook zulke met n, zoals het bovengenoemde ohd. nespila, maar ook ital. nespola, spa. nispola, fra. nèfle (< ofra. nesple).

Voor de vormen in Noord-Brabant zie de taalkaart van A. Weijnen, Taaltuin 4, 1935-6, 286-8; hier vinden wij nevenvormen als mipsel en wispel, waarover zeer twijfelachtige speculaties.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

mispel znw., mnl. mespele, mispele v. = ohd. mespila, nespil (nhd. mispel) v., mnd. mispel(e) “mispel”. Gaat terug op lat. mespila, het ook als v. enk. gebruikte mv. van mespilum (< gr. méspilon). De m-vormen kunnen direct uit het Lat. of uit een oudnoordfr. dial. ontleend zijn: vgl. waalsch mèse, mespe, pic. meille, mesle (naast neple), norm. meille. Ofr. nesple (fr. nèfle), spa. nespera enz. wijzen met ohd. nespil op een vulgairlat. *nĕspilum.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

mispel v., Mnl. id., gelijk Hgd. id., Ofra. mesle, uit Lat. mespilum, van Gr. méspilon: oorspr. onbek. Nfra. nèfle is een ander vervorming van hetz. Lat. w.; vergel. It. nespola, Eng. medlar voor *meslar is uit Ofra. meslier, den naam van den boom.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

kwispel 2, zn.: mispel, mispelaren stok. Volksetymologische verwarring.

mipsel, zn.: mispel. Door metathesis sp/ps < mispel. Mnl. mispele, mespele < Ofr. mesple < Lat. mespilum < Gr. mespilon.

wispe, wespel, zn.: mispel. Door wisseling van de bilabialen m/w. Zie mipsel.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

mipsel, mepsel(e), mupsel zn. v.: mispel, Mespilus germanica. Door metathesis sp/ps < mispel. Mnl. mispele, mespele < Ofr. mesple < Lat. mespilum < Gr. mespilon. Mupsel, zoals ook muspel (Waasland), door klinkerronding na bilabiale m.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

mepsel(e) (L, W), mipsel (A, ZV), mupsel (B, H), zn. v.: mispel. Door metathesis sp/ps < mispel. Mnl. mispele, mespele < Ofr. mesple < Lat. mespilum < Gr. mespilon. Mupsel, zoals ook muspel (W), door klinkerronding na bilabiale m.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

mispel s.nw.
1. Uitheemse boom of struik, afkomstig van Europa en Asië, met eetbare vrugte so groot soos 'n okkerneut, vroeër in tuine gekweek. 2. Enigeen van verskeie inheemse boomsoorte, met ronde eetbare vrugte met 'n soetsuur smaak, aangetref vanaf die O.Kaap tot in Midde-Afrika.
In bet. 1 uit Ndl. mispel (Mnl. mispele) 'vrug van die mispel'. Bet. 2 het in Afr. self ontwikkel deurdat die eienskappe van die boom aan dié van die uitheemse mispel (mispel 1) herinner, hoewel die inheemse mispel nie eintlik 'n mispel is of eers familie van die egte mispel is nie. Reeds in bet. 1 by Van Riebeeck (1651 - 1662).
Ndl. mispel uit Oudfrans mesple uit Latyn mespila, mv. van mespilum uit Grieks méspilon.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

muspel (DB), zn. m.: mispel. Met i/u-ronding o.i.v. van de bilabiale (geronde) m.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

mis’pel (de, -s), 1. naam voor de meeste inheemse bomen en struiken die behoren tot de Spijkerhoutfamilie*. Daarnaast treden de Mispels (Melastomaceae, genera Clidemia, Miconia) duidelijk op de voorgrond in kapoeweri* (Budelman & K. 130). - 2. vrucht van sommige van deze soorten die gegeten wordt (o.m. van Miconia-soorten, Bellucia glossularioides, Loreya mespiloides). - 3. (veroud.) sapotille, de vrucht van de sapotilleboom (Manilkara zapotilla, Sapotillefamilie*). Zie Teenstra 1835 II: 270; enige vindpl. - Etym.: De vruchten als 2 lijken op AN m. = vrucht van de Europese Mespilus germanica (Roosfamilie*). S mesper, mesproe. - Syn. van 1 mispelboom*. Zie ook: bosmispel*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

mispel: die kultuurplant is Mespilus germanica, fam. Rosaceae, die wilde soort is Vangueria infausta, fam. Rubiaceae; Ndl. mispel (Mnl. mes-/mispele), Hd. mispel, ontln. aan Lat. mespila; by vRieb mispel.

Thematische woordenboeken

W. Deconinck (2019), Plantennamen nader toegelicht, Kortrijk.

appelfamilie
Wilde lijsterbes | Sorbus aucuparia L.
Eenstijlige meidoorn | Crataegus monogyna Jacq.
Tweestijlige meidoorn | Crataegus laevigata (Poiret) DC.
Wilde appelboom en Eetappelboom | Malus sylvestris (L.) Mill.
Perenboom | Pyrus communis L.
Mispel | Mespilus germanica L.

De helderrode, soms oranje tot gele, vlezige vruchten van de Wilde lijsterbes hebben het uitzicht van bessen of besvruchten, maar strikt plantenmorfologisch beschouwd zijn het eigenlijk pitvruchten zoals appels. Deze vruchten worden graag gegeten door vogels, zoals lijsters, en vandaar de naam Lijsterbes. Er bestaat ook een sierboom met de naam Amerikaanse lijsterbes (Sorbus americana Marsh.) en er zijn nog vele andere Sorbus-soorten, vandaar meer bepaald het woord wilde in Wilde lijsterbes, die ook soms Gewone lijsterbes genoemd wordt.

De naam Meidoorn is van oudsher verbonden met de Meifeesten. De Meidoorn-struiken beginnen te bloeien in de maand mei en in sommige oksels van de bladeren staat een tot een doorn omgevormde zijstengel, vandaar dus de naam. Bij de Eenstijlige meidoorn bezitten de bloemen meestal één stijl en bij de Tweestijlige meidoorn zijn er twee tot drie stijlen. De Meidoorn werd in Duitsland betiteld als de geneeskrachtige plant van het jaar 2019.

Het woord appel werd al in het Middelnederlands gebruikt voor de vrucht van de Appelboom, die in de volkstaal ook Appelaar wordt genoemd.

Peer en Perenboom zijn afgeleid van het Latijnse pirus voor de boom en pirum voor de vrucht van de Perenboom, die ook Perelaar wordt genoemd.

De Nederlandse naam Mispel voor de boom en voor de vrucht van die boom werd afgeleid van een oude Latijnse plantennaam voor deze boom, namelijk Mespilus, een term die zelf een latinisering is van het Griekse woord mespilon, dat vermoedelijk uit een voor-Griekse taal stamt en waarvan de betekenis niet gekend is.

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

mispel (Latijn mespila)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

mispel ‘vrucht; (Surinaams-Nederlands) boom en vrucht daarvan die lijkt op die van de Europese mispel’ -> Engels mesple ‘(vrucht van de) kauwgomboom Sapotilla, lijkend op Europese mispel’; Papiaments mespel, mespu (ouder: mispel) ‘vrucht (Achras sapota), lijkend op Europese mispel’; Sranantongo mispu ‘vrucht (lijkend op de Europese mispel)’; Paramakaans mesupu ‘boom en vrucht daarvan die lijkt op die van de Europese mispel’ ; Caribisch-Engels mesple, mespel ‘(vrucht van de) kauwgomboom Sapotilla, lijkend op Europese mispel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

mispel vrucht 1240 [Bern.] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut