Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

minuut - (60e deel van uur; eerste schriftelijke vastlegging)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

minuut zn. ‘zestigste deel van een uur’
Mnl. minute ‘zestigste deel van een uur’ in elke minute es in menigher handwijle ghedeelt ‘elke minuut is verdeeld in vele ogenblikken’ [1485; MNW hantwile]; vnnl. minute ‘zestigste deel van een uur’ in huere, minute ‘uren, minuten’ [1559; WNT respijt], ook ‘zestigste deel van een meetkundige of geografische graad’ in 19 graed 9 minuten [1614; WNT]; nnl. minuut ook ‘korte tijd’ in geen minuut vroeger [1785; WNT].
Ontleend, al dan niet via Frans minute ‘zestigste deel van een uur’ [1392; TLF], ouder minuce ‘id.’ [1250-75; TLF], aan middeleeuws Latijn minuta ‘tijdseenheid’, verkort uit pars minuta prima ‘eerste kleine deeltje’ (van een door 60 deelbare grootheid), waarin minuta de vrouwelijke vorm is van klassiek Latijn minūtus ‘klein’; minūtus is het verl.deelw. van minuere ‘minder maken’, afgeleid van minus, minor ‘minder, kleiner’, verwant met → minder. De aanduiding prima ‘eerste’ contrasteert met secunda ‘tweede’, zie → seconde.
Mnl. minute betekende ook ‘eerste schriftelijke vastlegging’, meestal in het mv. minuten, bijv. in de minuten te corrigierne ‘de concepten (van de tekst van een privilige) te corrigeren’ [1407-32; MNW ordineren]; vnnl. de minuten van de contracten [1608; Stall.] (vandaar afgeleid het ww. vnnl. 't minuteren ende grosseren van elck geschrifte [1549; Stall.]). Deze betekenis is, al dan niet via Frans minute ‘id.’ [eind 14e eeuw; TLF], ontleend aan middeleeuws Latijn minuta ‘aantekening, concept’; een dergelijk stuk werd in klein lopend schrift geschreven, scriptura minuta ‘klein schrift’; voor scriptura zie → schrift en voor minuta ‘klein’ zie hierboven. De hieruit ontwikkelde betekenis ‘origineel waarvan kopieën uitgegeven zijn’, vooral gebruikt voor ambtelijke stukken, bestaat nog steeds, bijv. in de minuut van de akte [1906; WNT]. In het Engels is minutes de gewone term voor onze ‘notulen’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

minuut1 [60e deel van uur] {minute, minuut 1494} < frans minute [idem] < middeleeuws latijn minuta, verkorting van minuta pars [klein deel], van pars [deel] en minuta, vr. van minutus [klein], verl. deelw. van minuere [klein maken], vgl. minor; minuut is dus ‘deeltje van een uur’. De verdeling van het uur in minuten dateert uit de 15e eeuw, die in seconden is nog jonger, zodat het middelnl. wel het woord minuut kent maar niet de seconde; in de Oudheid was het uur variabel in overeenstemming met de duur van het daglicht. De exacte verdeling in minuten was niet mogelijk.

minuut2 [eerste beknopt schriftelijk ontwerp] {minutebrief [ontwerpbrief] 1456, minute, minuut 1470} < latijn minutum, o. van minutus [klein] (vgl. minuut1).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

minuut 1 znw. v. ‘zestigste deel van een uur’, mnl. minûte (nog zelden) < fra. minute (sedert de 13de eeuw) < lat. minūta, vr. van minūtus ‘zeer klein’.

minuut 2 znw. v. ‘oorspronkelijke akte van notarissen; ontwerp, klad’, zo genoemd omdat het stuk in klein lopend schrift geschreven werd; dus dezelfde afl. als minuut 1.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

minuut znw., mnl. (zeldzaam) minûte, menûte v. “1/60 uur, minuut van een brief”. Uit fr. minute of lat. minûta.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

minuut v. (van het uur), uit Mlat. minutum = klein deeltje, zelfst. gebr. onz. v.d. van minuere: z. min 1.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

minuut (Frans minute)

P.H. van Laer (1964), Vreemde woorden in de sterrenkunde, 2e druk, Groningen

Minuut (< Lat. minútus = klein; neutr. plur. minúta = kleine delen). Het zestigste deel van een graad of van een uur; graad.

P.H. van Laer (1949), Vreemde woorden in de natuurkunde, Groningen/Batavia.

Minuut (Lat. minútus = klein). Met den naam minúta (= kleine delen) werden in de Latijnse vertalingen van Arabische werken de breukdelen der eenheid in het zestigtallig stelsel aangegeven. De delen die 1/60 deel der eenheid zijn, kregen den naam príma minúta (= eerste kleine delen) of kortweg minúta; de delen die 1/60 deel van deze príma minúta (dus 1/3600 deel van de eenheid) zij werden secúnda minúta (= tweede kleine delen) genoemd, of afgekort secúnda. De zestigtallige verdeling is bij ons behouden gebleven bij de tijd- en hoekmeting. De onderverdelingen van de eenheid (uur, resp. graad) heten nu minuut, resp. secunde of seconde. De tekens ' en " werden ook reeds bij de Grieken gebruikt voor het aangeven van de eerste en tweede onderverdeling.

E.J. Dijksterhuis (1939), Vreemde woorden in de wiskunde

Minuut (< Lat. minutus = klein). De sexagesimalebreukdelen van de eenheid (1/60; 1/3600) werden in Latijnse vertalingen van Arabische geschriften weergegeven door prima minuta (eerste kleine delen) en seconda minuta (tweede kleine delen). Het eerste werd tot minuta, het tweede tot seconda afgekort, zodat men dus eigenlijk van ,,delen” en van „tweeden” sprak. Uit minutum ontstond ons woord minuut.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

minuut ‘eerste beknopt schriftelijk ontwerp’ -> Indonesisch minit ‘origineel document’.

minuut ‘60e deel van een uur’ -> Duits dialect Minüüt, Minüte, Menüte ‘60e deel van een uur’; Indonesisch menit, minit ‘60e deel van een uur’; Ambons-Maleis menit ‘60e deel van een uur’; Atjehnees minèt ‘60e deel van een uur’; Boeginees monôwi ‘60e deel van een uur’; Gimán minít ‘60e deel van een uur’; Iban minit ‘60e deel van een uur’ (uit Nederlands of Engels); Jakartaans-Maleis menit ‘60e deel van een uur’; Javaans menit, menut ‘60e deel van een uur’; Keiëes minut ‘60e deel van een uur’; Madoerees mēnnet ‘60e deel van een uur’;? Makassaars monôwi, monî́, manî́ ‘60e deel van een uur’; Menadonees menit ‘60e deel van een uur’; Minangkabaus minik ‘60e deel van een uur’; Muna meniti ‘60e deel van een uur’; Nias miniti ‘60e deel van een uur’; Soendanees minut ‘60e deel van een uur’; Singalees minittu-va, miniṭṭu-va ‘60e deel van een uur’ (uit Nederlands of Portugees); Negerhollands minuut ‘60e deel van een uur’; Papiaments minit, minüt (ouder: minuut) ‘60e deel van een uur’; Sranantongo minut ‘60e deel van een uur’; Surinaams-Javaans menit ‘60e deel van een uur’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

minuut 60e deel van uur 1494 [MNW] <Frans

minuut eerste beknopt schriftelijk ontwerp 1470 [MNW] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut