Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

mink - (marterachtig zoogdier (Mustela lutreola), bont van dit dier)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

nerts zn. ‘marterachtig zoogdier (Mustela lutreola), bont van dit dier’
Nnl. nerts ‘marterachtige’ in de nerts, die ook wel ... waterwezel en ... watermenk wordt genoemd [1909; WNT water], soms nog in de Duitse vorm nerz ‘pelswerk van de nerts’ [1942; WNT Aanv. nerts II], ook in samenstellingen als nertsmantel [1960; WNT Aanv. nerts II].
Ontleend aan Duits nerz ‘nerts’, ouder ook norz, nörz, nurz, nürz [15e eeuw; Kluge], dat zelf ontleend is aan Oppersorbisch nórc of Oudpruisisch naricie (wrsch. te lezen als naricis) ‘bunzing’ < Kerkslavisch norĭcĭ, letterlijk ‘duiker’. Nertsen zijn goede zwemmers en vangen veel prooien in het water.
Bij Oudkerkslavisch norĭcĭ ‘duiker’ onder meer: Russisch norá ‘hol, bergplaats’; Litouws neriù, nérti ‘duiken, wegsluipen’; < balto-slavisch *ner- ‘onderduiken’ (LIV *nerH).
De Mustela lutreola is een bijna uitgestorven Europese diersoort. Er bestaat ook een Amerikaanse nerts, de grotere Mustela vison, die in het Engels mink heet en veel gefokt wordt om zijn bont, ook in Europa; ontsnapte Amerikaanse nertsen dragen bij aan de achteruitgang van de Europese nerts. Het Engels heeft mink wrsch. ontleend aan een van de Scandinavisch talen, waarin ook de Europese nerts mink heet; ook in het Vroegnieuwnederlands bestond het woord, bijv. in de vos, de mink, en haas [1661; WNT marter I]; dit werd tot begin 20e eeuw wel gebruikt. De herkomst van dit woord is onbekend.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

mink [nerts] {na 1950} < engels mink < middelengels mynk, deens mink, zweeds mänk, menk, nederduits mink [otter], etymologie onbekend.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

mink m., uit *minken, met i = e = ä, denom. van mank.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

mink kostbaar bont 1968 [KWT] <Engels

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut