Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

mineraal - (delfstof; voedingszout); (uit de grond voortkomend)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

mineraal zn. ‘delfstof; voedingszout’; bn. ‘uit de grond voortkomend’
Vnnl. minerael (zn.) ‘delfstof, niet-organische stof’, (bn.) ‘betreffende erts, uit de aarde afkomstig’, in distillatien der mineralen ‘manieren van distilleren van chemische stoffen’ [1555; WNT Supp. aardsch], berg ... daer men plag minerael ... uyt te wercken ‘berg waar men erts uit placht te winnen’ [1651; WNT]; nnl. mineraal ook ‘voor de voeding noodzakelijk bestanddeel, voedingszout’ in dat, naast genoemde stoffen, zouten (mineralen) en vitamines aanwezig moeten zijn [1938; WNT veevoeder].
Ontleend, al dan niet via Frans minéral (zn.) ‘delfstof, bestanddeel van de aardkorst’ [1538; TLF], (bn.) ‘betreffende delfstoffen’ [1516; TLF], aan middeleeuws Latijn minerale (zn. en bn.) ‘(dat wat is) opgedolven in een mijn’, de onzijdige vorm van het bn. mineralis ‘betreffende mijnen’, een afleiding met het achtervoegsel -alis ‘betreffende’ van minera ‘ertsgroeve’; middeleeuws Latijn minera is ontleend aan Oudfrans miniere ‘ertsgroeve, metaalmijn’ [ca. 1220; TLF], letterlijk ‘plaats waar zich erts of metaal bevindt’, een afleiding van mine in de betekenis ‘erts, metaal’, zie → mijn 2.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

mineraal [bestanddeel van aardkorst] {1642} < frans minéral < middeleeuws latijn minerale, zelfstandig gebruikt o. van mineralis [mijn-], van minera [mijn] (vgl. mijn2).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

mineraal znw. o. in de 17de eeuw < fra. minéral < mlat. mineralis, dat weer gevormd is van mlat. minera, verlatijnsing van fra. minière, afgeleid van mine, waarvoor zie: mijn 1.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

mineraal bnw. znw. o. In de 17. eeuw ontleend uit fr. minéral, een afl. van ’t bij mijn I besproken woord. Ook in andere talen ontleend.

Thematische woordenboeken

P.H. van Laer (1949), Vreemde woorden in de natuurkunde, Groningen/Batavia.

Mineraal (= Fr. minéral; mine = mijn). Delfstof (gewoonlijk anorganisch) met een bepaalde chemische samenstelling.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

mineraal ‘bestanddeel van de aardkorst’ -> Indonesisch mineral ‘bestanddeel van de aardkorst’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

mineraal bestanddeel van aardkorst 1596 [WNT turbith] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut