Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

min - (zoogster)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

min 2 zn. ‘zoogster’
Mnl. minne ‘zoogster’ [14e eeuw; MNW]; vnnl. minne ‘zoogster’ [1599; Kil.], min ‘id.’ [1644; WNT minnemoer].
Mogelijk een verkorting van minnemoeder ‘zoogster’, zoals in de borsten der minnemoederen [1618; WNT zog I], ook wel verkort tot minnemoer [1642; WNT voedsterling]. Dit is een samenstelling van mnl. minne in de betekenis ‘liefde tot bloedverwanten’, zie → min 1 ‘liefde’ en → moeder in de betekenis ‘verzorgster van jonge kinderen’. Deze samenstelling is echter pas enkele eeuwen later geattesteerd. Wellicht moet men dan ook denken aan een rechtstreekse betekenisontwikkeling van min ‘liefde’ > ‘liefdevolle vrouw’ > ‘liefdevolle zoogster’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

min3* [zoogster] {minne 1350} wellicht uit minnemoeder zoals best uit bestemoeder, hoewel minnemoeder niet in het middelnl. is teruggevonden.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

min 2 znw. v. ‘zoogster’, mnl. minne. Ofschoon minnemoeder eerst later optreedt, zou men toch aan een verkorting uit dit woord kunnen denken, evenals bestje uit bestemoeder. Of mag men met het oog op haar functie de naam stellen naast mhd. memme, mamme ‘moederborst’ (vgl. lat. mamma) en dus denken aan een klankwoord voor het zuigen van een kind aan de moederborst? — Zie ook: mam.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

min II (zoogster), mnl. minne v. De samenst. minnemoeder (uit min I + moeder), waarvan min volgens de algemeene opinie een verkorting is, komt eerst oudnnl. voor. Vgl. best(je).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

min 3 v. (zoogster), Mnl. minne, verkort uit minnemoeder, d.i. moeder uit caritate of christelijke min; vergel. baker.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetensckap en Kuns

min II: in bet. “soogster” weinig bek. i. Afr.; Ndl. min (Mnl. minne), “soogster”, misk. redukv. v. minnemoeder of verb. m. min I of m. mem.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

min ‘zoogster’ -> Engels minikin ‘koosnaam voor een vrouw (verouderd); kleine onbeduidende vrouw’; Negerhollands minnetje ‘zoogster, pleegmoeder’; Papiaments menchi (ouder: minnetsje, míntsje) ‘zoogster’; Sranantongo mena ‘zoogster’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

min* zoogster 1350 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut