Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

min - (gering)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

min 3 bn. ‘onbeduidend, gemeen’; vgw. ‘verminderd met’
Onl. min ‘minder’ in lucicu min ‘iets minder’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. si het me of min ‘zij het meer of minder’ [1236; VMNW], van .v. linen lant lichtelic mer of min ‘van ongeveer 5 lijnen (een oppervlaktemaat) land’ [1267; VMNW]; vnnl. Merct hoeveel dat 7 maenden min es dan een iaer [1532; Kool], toesetten ende afghetrocken ghetaelen ende die ghetaelen sullen v bewesen werden met dese teekens als + bediet plus oft meere ende - bediet minus ofte min ‘opgetelde en afgetrokken getallen, en die getallen zullen u getoond worden met deze tekens: + betekent plus en - betekent min’ [1568; Kool], 34 gulden min een oort ‘34 gulden min 1 oort’ [1569; Kool], 70 min 1 maecken 69 [1595; Kool]; nnl. min ‘gering, onbeduidend’ in met minne moeite [1723; WNT], overdrachtelijk ‘laag, gemeen’ in Hoe laf, hoe min, hoe dom [1871; WNT].
Oude bijwoordelijke comparatief van Proto-Germaans *minw- ‘gering’, zie → minder. In de algemene betekenis ‘minder’ is het woord reeds lang verouderd en vervangen door minder. Het bestaat enerzijds nog als deel van de vaste uitdrukking min of meer, anderzijds als voegwoord ‘verminderd met’, als antoniem van → plus.
Ten slotte ontstond min als bn., als nieuwe stellende trap, terugvorming uit → minder en → minst.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

min2* [gering] {1236} middelnederduits, oudhoogduits, oudfries, oudengels min, gotisch mins; buiten het germ. latijn minuere, grieks minuthein [verminderen], oudkerkslavisch mĭnijĭ [minder], oudindisch mināti [hij vermindert].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

min 3 bijw. onbep. telw., mnl. min, mnd. ohd. ofri. oe. min. got. mins ‘minder’ < germ. grondvorm *minniz < idg. *minu̯es resp. *minnaz < idg. *minu̯os, vgl. lat. minus bijw. ‘minder’, minuo ‘verminderen’, osl. mĭńijĭ ‘kleiner, minder, jonger’. Deze woorden behoren tot de idg. wt. *mei ‘verminderen’, vgl. oi. minā́ti ‘verminderen, beschadigen’, gr. minúthō ‘verminderen’, ’ameínōn ‘beter’ eig. ‘niet minder’ (IEW 711). — Zie ook: minder en minst.

min 4 bnw. ‘klein, gering; zwak; gemeen’, eerst later-nnl. en dan wel geabstraheerd uit de vormen minder en minst als een nieuw positief; zo ook fri. en nnd. dial. min.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

min III bijw. onbep. telw. (in min of meer, min gunstig e.dgl., niet te min), mnl. min. = ohd. mnd. ofri. ags. min, got. mins “minder”. Uit germ. *minniz, -az > idg. *minwes, -os. Evenals naast germ. *maiz *maizan- met den superl. *maista- staat (zie meer II), komt. naast *minniz een bnw. *minnizan-, superl. *minnista- voor: got. minniza, minnists, on. minni, min(n)ztr, mnl. minre (nnl. minder), minst (nnl. minst), ohd. minniro (nhd. minder), minnist (nhd. mindest), os. minnera, minnisto, (ofri. minria ww. “minder worden”) “kleiner, kleinst”. Idg. *minwos is ook wsch. de grondvorm van den lat. onz. vorm minus, “kleiner, minder”, waarbij ’t m. v. minor later gevormd is. Idg. mi-nu-, mi-nw- vinden we verder in nier. meanbh “klein”, korn. minow “verkleinen, verminderen”, lat. minuere, umbr. menvum “kleiner maken”, gr. minúthō “ik word, maak kleiner”, oi. minóti “hij vermindert, brengt schade toe”. Ook obg. mĭnijĭ “kleiner, jonger” kan ’t zij klankwettig of door vervorming op een vorm met minw- teruggaan. Minw- is een o.a. als praesensstam gebruikte verlenging van mi-, mei-, waarvan gr. meíōn “kleiner”, oi. mī́yate, mîyáte “hij wordt minder, vergaat”, minā̔ti = *minóti”. Zie nog mijt I.

min IV bnw., eerst later-nnl. In dgl. bet. ook fri. ndd. dial. min. Wsch. als positivus geabstraheerd uit den compar. minder en den superl. minst.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

min 1 bijw. (compar. van weinig), Mnl. id. + Ohd. id. (Mhd. id.), Ags. id., Ofri. id., On. minnr, Go. mins: Ug. *minniz uit *minwiz + Gr. minúein, Lat. minuere = verminderen, minor = minder, Ier. min = klein, Osl. mĭnijĭ = minder: Idg. wrt. mei. De adj. comp. is minder, Os. minnera, Go. minniza. Vergel. voorts bet.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Min (klein) van den Idg. wt. mi = kort, klein maken, vgl. ’t Lat. minor = de kleinere. Hiertoe ook: minuut = klein deeltje.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

min ‘verminderd met’ -> Papiaments men ‘verminderd met’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

min* gering 1236 [CG I1, 22]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut