Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

min - (liefde)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

min 1 zn. ‘liefde’
Onl. minna ‘liefde’ in mich okkeret mines sponsi minnon gelusted ‘mij behaagt slechts de liefde van mijn minnaar’ [ca. 1100; Will.]; mnl. minne ‘liefde’ [1200; VMNW], min ‘id.’ [1442; MNW].
Os. minnia; ohd. minna (nhd. Minne); ofri. minne ‘liefde’; < pgm. *minjō- ‘liefde’. Hierbij horen de werkwoordsafleidingen: onl. minnon (zie onder); os. minnion (mnd. minnen); ohd. minnōn (nhd. minnen); ofri. minnia (nfri. minne); alle ‘liefhebben’; < pgm. *minjōn-.
Wrsch. verwant met: Oudiers mīan ‘verlangen, wens’ en Welsh mwyn ‘vreugde’; < pie. *mein-, *min- ‘begeren’ (IEW 711-712). In de Germaanse talen kan ook sprake zijn van invloed van de wortel pie. *men- ‘denken’, zie → manen 2, vergelijk got. gaminþi ‘herinnering’ en on. minni ‘id.’ (nzw. minne). Dat zou kloppen met de mnl. betekenis minne ‘aandenken’.
minnen ww. ‘liefhebben’. Onl. minnon ‘id.’ in thia minnunt namon sinan ‘die zijn naam liefhebben’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. minnen ‘liefhebben, zeer gesteld zijn op’ in minnedi dien hertoge iet ‘als je ook maar enigszins van de hertog houdt’ [1220-40; VMNW], Die magt die alle dogde minde ‘de maagd die zeer gesteld was op alle deugden’ [1265-70; VMNW], ook ‘beslapen’ in alsi wart gewaer, dat hise woude minnen ‘toen zij bemerkte dat hij haar wilde beslapen’ [1415-35; MNW]. Afleiding van min. Tegenwoordig veelal vervangen door → beminnen. ♦ minnaar zn. ‘iemand die mint, aanbidder’. Mnl. minnere ‘id.’ [1240; Bern.], minnare ‘id.’ [1300-50; MNW-R]. Afleiding van minnen met het achtervoegsel → -aar. ♦ minzaam bn. ‘vriendelijk; welwillend tegenover minderen’. Mnl. minsam ‘liefderijk’ in dat minsam ... anscyn ‘het lieflijk gelaat’ [1348; MNW] en ‘vriendelijk’ (bw.), zoals in hi moet in allen sijn minsame ‘hij moet in alles vriendelijk zijn’ [1350-1400; MNW]; nnl. minzaam ook ‘welwillend tegenover minderen’ in De minzaame Meester zyner Bedienden [1785; iWNT]. Afleiding van min met het achtervoegsel → -zaam.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

min1* [liefde] {min(ne) [aandenken, gedachtenis, liefde] 1201-1250} oudsaksisch minnia [liefde], oudhoogduits minna [aandenken, liefde], oudfries minne [liefde], oudnoors minni, gotisch gaminþi [herinnering, aandenken], verwant met manen3.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

minzaam

Het woord minzaam wordt veelal gebezigd wanneer men wil uitdrukken dat een hooggeplaatst persoon welwillend en vriendelijk optreedt tegenover mensen met een lagere positie. Men zegt dat de koningin minzaam dankte voor het gejuich waarmee zij werd begroet.

Het woord minzaam kwam al in het Middelnederlands voor. Men acht het waarschijnlijk dat het naar Duits voorbeeld is gevormd, mede omdat het voornamelijk wordt aangetroffen in Duits getinte godsdienstige geschriften. De oude betekenis is dan: wat wijst op een wederzijdse vriendschappelijke gezindheid in een bepaalde gemeenschap. Die betekenis vindt men terug in uitdrukkingen als in der minne: vriendschappelijk en in onmin: in onenigheid.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

min 1 znw. v. ‘liefde’, mnl. minne v. ‘aandenken, liefde, vriendschap, geliefde’, os. minnia ‘liefde’, ohd. minna v. ‘aandenken, liefde’ (mhd. minne is in de 18de eeuw door de poëzie weer in gebruik genomen), ofri. minne ‘liefde, genegenheid’. — De grondbet. ‘aandenken’ wijst reeds op verwantschap met manen 2. Zo betekent on. minjar v. mv. ‘geschenken tot aandenken’. Vgl. met een dentaal-suffix on. minni, got. gaminþi ‘herinnering, aandenken’ en abl. oe. gemynd, got. gamunds. Het is niet uitgesloten, dat de groep van min ook op een germ. grondvorm *minþ- teruggaat.

Formeel kan men echter het woord min ook als nultrap van *main opvatten, die dan dezelfde is als in gemeen en menen. Mnl. minne heeft bij Verdam de betekenissen: 1. aandenken, gedachtenis, 2. liefde, 3. goede verstandhouding, vrede, eendracht’; een volgorde die kennelijk geïnspireerd is door de de etymologie uit de idg. wt. *men. Maar uitdrukkingen als in der minne en in onmin wijzen duidelijk op een bet. ‘wederkerige, vriendschappelijke gezindheid in een gemeenschap’, die daarom wel eens de oorspronkelijke zou kunnen zijn, vgl. J. Trier, Fschr. Fr. Maurer (1963) 73-74.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

min I (liefde), mnl. minne v. “aandenken, liefde, vriendschap, geliefde”. = ohd. minna v. “aandenken, liefde” (in de 18. eeuw is mhd. minne door den invloed van dichters als Bürger, Joh. Martin Müller, Joh. Fr. Hahn weer als nhd. minne in gebruik gekomen), os. minnia, ofri. minne v. “liefde, genegenheid”. Van de bij manen II besproken basis. On. minni o. “herinnering, aandenken” = got. ga-minþi o. “id.”, een afl. van dezelfde basis. Ohd. minna enz. zou als *minþ-niô- hierbij kunnen hooren. Veeleer echter heeft het geen þ gehad en is het = on. minjar v. mv. “geschenken tot aandenken”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

min 2 v. (liefde), Mnl. minne, Os. minnia + Ohd. minna (Mhd. minne, Nhd. id.): van Germ. wrt. men = gedenken (z. manen), Eng. mind (i = ü) = zin, vertoont den zw. graad. — Van Germ. *minja kont Fr. mignon.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetensckap en Kuns

min I: s.nw., liefde, vriendskap; Ndl. min (Mnl. minne, o.a. “wederkerige vriendskaplike gesindheid”), hierby ook die ww. Ndl./Afr. (be)min(nen) en verbg.: in der minne; v. ook meermin.

min III: onbep. telw., “weinig”; bw., “in geringe mate”; Ndl. min (Mnl. min) hou verb. m. Lat. minus en ww. minuere, “verminder”, Gr. minuthein, “verminder”; by Wik en ruimer gebr. i. Afr. as in Ndl. (Scho TWK/NR 7, 2, p. 13).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Min (liefde, van beminnen) van den Idg. wt. men = (ge)denken, zie Man; het bet. oorspr.: herinnering, gedachtenis. Vgl. nog: St.-Geertens minne: gedachtenisdronk bij ’t afscheid nemen.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

min* liefde 1100 [Willeram]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut