Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

mik - (gaffel)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

mik2* [gaffel] {micke 1285} nederduits mik(ke); misschien van middelnederlands hem micken [zich neervlijen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

mik 2 znw. v. m. ‘gaffelvormige steunpaal’, mnl. micke v. ‘gaffelvormig voorwerp, paal, stut’, nnd. mik, mikke. — Met het oog op woorden als nperz. mēχ (< *maiχa-) ‘nagel, pin’, oi. sumēka ‘welgegrondvest, stevig’, zou men kunnen aanknopen aan de idg. wt. *mei- ‘bevestigen’, vgl. oi. minoti ‘bevestigt, bouwt’, lat. moenia ‘muren’, waartoe verder behoort germ. *mairja- ‘grenspaal’, vgl. oe. (ge)mære ‘grens, gebied’, on. landa-mæri ‘grens, grensland’ (IEW 709). Het bezwaar is, dat het woord mik op zo een klein gebied voorkomt. — Zie echter ook: mikken.

Met kolonisten is het woord naar de Mark Brandenburg gekomen, vgl. Teuchert Sprachreste 242-3.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

mik II (paal; naam van verschillende gaffelvormige voorwerpen), mnl. micke v. “gaffelvormig voorwerp, paal, stut”. = ndd. mik(ke) v. “id.”. Aangezien germ. kk = idg. , ĝ, ĝh, q, g, gh, q, g, gh + n zijn kan, zijn formeel combinaties met alle idg. bases, miḱ-, meḱ-, miĝ-, meĝ- enz. mogelijk. Geen semasiologisch overtuigende etymologie is echter voorgesteld.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

mik II (gaffelvormig voorwerp). Over germ. kk uit idg. velairen + n zie bij bakken Suppl. 1e alin. Zo ook voor de kk in mikken.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

mik 2 v. (gaffelvormige paal), Mnl. micke, + Ndd. id.; hierbij met abl. mak 2: oorspr. onbek.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

mik. De verwensing loop naar de mik! plaatst ons voor etymologische problemen. Alleen als wij uitgaan van mik in de betekenis ‘gaffelvormige boomstam of -tak’, kunnen wij de verwensing verklaren, want gaffelvormige boomstammen werden als galg gebruikt. We hebben hier dus te maken met een synoniem van loop naar de galg! Vgl. R. Foncke, ‘Een Mechelse verwensing: loop naar de mik!’ In: H. Draye, Feestbundel H.J. van de Wijer. ii. Leuven, 1944: 335-338.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

mik ‘gaffel, gaffelvormige steunbalk’ -> Engels meck ‘gaffelvormige stutpaal voor een harpoen’; Schots † mik ‘wig om een kanon te richten’; Duits dialect Micke ‘gaffel’; Deens mikke ‘gaffel’; Russisch mik ‘handgreep van de scheepspomp’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut