Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

mik - (brood)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

mik1 [brood] {micke 1384-1428} < middeleeuws latijn mic(h)a [broodje] < latijn mica [korreltje, kruimpje, beetje] (vgl. mica).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

mik 1 znw. v. m. ‘brood van fijn roggemeel’, mnl. micke ‘grof brood’, maar ook ‘fijn brood’, mnd. micke ‘soort brood’, Teuth. mick, mycken ‘stuk brood’, westf. micke ‘klein broodje’, fri. mik ‘broodje van gemengd rogge- en tarwemeel’ < vulg. lat. micca ‘klein brood van fijn meel’, met de Romeinen uit Galliē als naam voor een fijnere broodsoort hierheen gebracht; later ook gebruikt voor een grof en groot brood. Ten grond ligt lat. mica ‘kruimel’. — Vla. micke > fra. miche (sedert de 12de eeuw).

Intussen wijst E. Nörrenberg Niederd. Jahrb. 71-73, 1950, 328 er op, dat er geen bezwaar is mik 1 = mik 2 op te vatten en verwijst naar broodnamen als nhd. wecken, weck, beir. kipf, berlijns knüppel, ital. bastione voor ‘brood van een lange vorm’, woorden die eig. ‘wig’ en ‘knuppel’ betekenen. — Nl. kolonisten hebben het woord overgebracht naar het gebied om Bremen en naar de Mark waar micke bekend is (Teuchert Sprachreste 294, die er op wijst, dat van het W. uit het woord niet verder reikt dan de Wezer).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

mik I (stuk brood), mnl. micke v. = mnd. micke, Teuth. mick, mycken “stuk brood”. Semasiologisch mogelijk, maar wegens het afwijkende vocalisme dubieus is verwantschap met gr. magís “geknede massa, deeg”, máza“deeg, gerstebrood”, mágeiros “kok”, waarbij men nog obg. mazati “smeren, zalven” brengt. In ieder geval zou dan de grondvorm vóórgerm. * meĝjâ- zijn en geen idg. i hebben. Gew. leidt men mik uit lat. mîca “kruimel” af; uit een vulgairlat. bijvorm hiervan *mîcca wordt ook fr. miche “wegge, stuk brood” verklaard. Deze etymologie van mik is mogelijk, maar onzeker.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

mik 1 v. (meel, brood), Mnl. micke + Ndd. micke: oorspr. onbek.; toch wel verwant met het even duistere Fr. miche = broodje en mok 4.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

mik (zn.) tarwebrood (met krenten); Middelnederlands micke <1384-1428>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

mik I: s.nw., “gaffelvormige voorwerp”; Ndl. mik (Mnl. micke), in 17e-eeuse Ndl. wsk. in ruimer gebr. as vandag, in Afr. het dit opgang gemaak (Bosh VT 108).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

mik (vulgair Latijn *micca)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

mik ‘brood’ -> Duits dialect Micke ‘broodje, kadetje’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

mik brood 1384-1428 [MNW] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut