Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

mijl - (lengtemaat)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

mijl zn. ‘lengtemaat’
Mnl. mile ‘mijl’ in ombtrent de port bi ere haluer milen gehehinde ‘binnen een halve mijl gaans van de poort’ [1236; VMNW], ene fransoise mile ‘een Franse mijl’ [1291-1300; VMNW], mijl ‘afstandsmaat’ [1460-80; MNW-R]; vnnl. mijle, mijl ‘afstandsmaat’ in een dorp twe cleyn mijlen van Luewen ‘een dorp een kleine twee mijl van Leuven’ [1568; WNT], mijle ‘duizend passen, mijlpaal’ [1599; Kil.].
Zeer vroege ontlening aan Latijn mīlia ‘mijlen’, verkorting van het meervoud van mīlle passuum ‘duizend Romeinse dubbelpassen’, uit mīlle ‘duizend’. Het woord mille komt wrsch. uit pie. *sm-ih1hes-l-ih2 ‘één duizend’, vergelijk Sanskrit sahásra- en zonder *sm(ih2)- Grieks khīlioi. Zie → milli-, en de genitief meervoud van passus ‘pas, stap’, tevens ‘lengtemaat van ca. 74 cm’, zie → pas 1.
Ook ontleend: mnd. mile; ohd. mīla [9e eeuw; Kluge] (nhd. Meile); oe. mīl [voor 800; BDE] (ne. mile); laat-on. míla (nzw. mila ‘10 km’).
Een Romeinse mijl was ca. 1480 meter (1000 x 2 x 74 cm). Voor de invoering van het metrieke stelsel bestonden er allerlei plaatselijke mijlen, o.a. de Hollandse mijl van 2000 Rijnlandse voeten = ca. 5,5 km ofwel ongeveer een uur gaans; eerder varieerde de mijl in onze streken van ca. 4,4 tot 6,3 km. Een moderne Engelse mijl is ca. 1609 meter, een zeemijl 1852 meter of 1/60 van een breedtegraad.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

mijl [lengtemaat] {mile, mijl 1236} < latijn milia (passuum) [1000 schreden = 1478 meter], van mille [1000] en passus [schrede, stap, pas (onder pas werd dubbele stap verstaan)]. De uitdrukking dat is mijl op zeven [zo duurt het erg lang voordat je klaar bent] betekent dat men een mijl, door allerlei omwegen, niet uit vier maar uit zeven kwarten laat bestaan. Vgl. bv. Gronings dialect en weg up fief-veerendeel.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

mijl znw. v., mnl. mîle, evenals mnd. mīle, ohd. mīla, milla (nhd. meile), oe. mīl (ne. mile) een zeer oude ontlening in de Romeinse tijd, die in verband staat met de aanleg van de heerwegen. Het is overgenomen < mīlia (passuum), waarmee een afstand van 1.479 km aangeduid werd.

Uit het fra. mille werd mnl. mielge ‘mijl, halve mijl’ overgenomen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

mijl znw., mnl. mîle v. = ohd. mîla, mîlla (nhd. meile), mnd. mîle, ags. mîl (eng. mile) v. “mijl”. Laat-on. mîla v. “id.” uit ’t Wgerm. Ontl. uit lat. mille (passuum) “mijl” of liever, met ’t oog op de î, uit den pluralis mîlia of een analogisch hiernaar gevormden vulgairlat. singulaarvorm met î. Mnl. mielge v. “mijl, halve mîle” is uit ofr. milie (fr. mille) ontleend.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

mijl v., Mnl. mile, gelijk Hgd. meile, Eng. mile, Fr. mille, uit Mlat. milia, eigenl. onz. meerv. van Lat. mille = duizend (nl. 1000 stappen: mille passuum), Lat. mille uit *smī-g̃hsl-ī + Skr. sa-hasram, Zend ha-zanrəm, Gr. khílioi.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

mijl (Latijn milia)

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Mijl op zeven, ook: de —, of een —, een groote omweg; voor een mijl op zeven mijlen, verg. iets derg. in: dat scheelt een slok op een borrel. Het getal zeven gold vroeger voor een heilig getal en komt nog in vele uitdrukkingen voor, waar in ’t algemeen een aantal bedoeld wordt: zevenmijlslaarzen, zeven uur in den wind stinken e.a.; zoo zegt Bredero 2, 162: “Dat souw wel seve luye segghen . . . als zijt wisten”; Poot 1, 169: “Myn brein (stont) ... In zeven averechtse bochten”; Tuinman, Spreekw. (2, 160) geeft op: “Een dulle hond loopt geen zeven jaar”.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Mijl, van ’t Lat. milia (= mijl), van mille = 1000, nl. 1000 passen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

mijl ‘lengtemaat’ -> Deens mil ‘oude Deense lengtemaat van 7,5 kilometer’ (uit Nederlands of Nederduits); Indonesisch mil ‘lengtemaat’; Atjehnees mèn ‘lengtemaat’ (uit Nederlands of Engels); Javaans emil ‘lengtemaat’; Soendanees ĕmel ‘afstandsmaat’; Negerhollands miel ‘lengtemaat’; Papiaments † my ‘lengtemaat’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

mijl lengtemaat 1236 [CG I1, 25] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1518. De mijl op zeven gaan,

d.w.z. een omweg maken; eig. de mijl niet op vier maar op zeven vierde deelen nemen, dus den weg, dien men te gaan heeft, met drie vierendeelen op elke mijl door omloopen verlengen. Zoo zegt men ook: den weg op vijf vierels nemen; in Groningen: 't uur op vief vörl loopen; in Holstein: en weg up fiefveerendeel = een omweg, terwijl volgens Taalgids V, 174 in het Nedersaks. Wdb. III, 160 wordt opgegeven: eene Mil up fief Varndeel; zie Wander III, 566: auf eine Meile sieben viertel gehen; Tijdschrift XVI, 251; Ndl. Wdb. IX, 706; Molema, 459 en Taalk. Magazijn III, 64. De gewone meening als zou men deze uitdr. in verband moeten brengen met den slingerweg, die tusschen de dorpen Meyel en Sevenum liep, is niet te verdedigen, aangezien de uitdr. reeds bij Hooft, Ned. Hist. 48, voorkomt en die weg, indien hij bestond, toch niet zulk eene vermaardheid kon hebben, dat hij spreekwoordelijk werd. Volgens Schuermans, 884 b zegt men in Zuid-Nederland den weg op zeven gaan (zie ook Tuerlinckx, 722 en 744); volgens Rutten, 274 a: den weg op zeven doen; in het Waasch Idiot. 764: den weg op zeven of zevenen gaan, waar dus van een mijl geen sprake is en evenmin gedacht kan worden aan het dorpje Meyel; in Antw. Idiot. 815: de mijl op zeven gaan; dat is de mijl op zeven, dat is een groote omweg. Zie verder Noord en Zuid XIX, 31-33; XX, 367 en vgl. nog W. Leevend VII, 359: de koers op zeven nemen; VI, 376: dat is mijl op zeven.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut