Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

mij - (voornaamwoord)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

mij vnw. 1e pers. ev.
Onl. mi ‘mij’ (datief en accustief) in uue sal leidon mi ‘wie zal mij leiden’, angegin mi ‘tegen mij’, Ginathi mi ‘wees mij genadig’ [alle 10e eeuw; W.Ps.]; mnl. mi ‘id.’; vnnl. mij, in onbeklemtoonde positie ook wel me, zoals in zo steictme ‘zo steekt mij’ [1527-40; MNW].
Os. (datief en accusatief), zelden mik (accusatief) (mnd. , mi); ohd. mir (datief), mih (accusatief) (nhd. mir, mich); ofri. mi (nfri. my); oe. me (ne. me); on. mér (datief), mik (accusatief) (nzw. mig); got. mis (datief), mik (accusatief); < pgm. *me-z, *me-k. In de Noordzee-Germaanse talen wordt van oudsher al weinig of geen onderscheid gemaakt tussen datief- en accusatiefvormen.
De datief is verwant met: Latijn mihī; Grieks emoĩ, moi; Sanskrit máhya(m); Litouws mán; Oudkerkslavisch mĭně (Tsjechisch mně); Hittitisch ammuk; < pie. *h1meǵhio, *h1mei, hoewel de precieze formele verhoudingen niet altijd even duidelijk zijn; ook de herkomst van de uitgang pgm. *-z is onduidelijk.
De accusatief is verwant met: Grieks emé, me; Sanskrit , mām; Avestisch mąm; Litouws manè; Oudkerkslavisch mene, ; Armeens im-; Albanees muae; Hittitisch ammug; < pie. *h1me-. De uitgang pgm. *-k ontstond wrsch. onder invloed van de nominatief, zie → ik.
Lit.: R.S.P. Beekes (1989), ‘The PIE words for “name” and “me”’, in: Die Sprache 33, 1-12

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

mijn1* [bez. vnw.] {oudnederlands mīn 901-1000, middelnederlands mijn} oudsaksisch, oudhoogduits, oudfries, oudengels mīn, oudnoors minn, gotisch meins; uit de 2e nv. van ik: mijns, van dezelfde i.-e. stam als mij, pers. vnw.: middelnederlands, oudnederlands, oudsaksisch, oudfries mi, oudhoogduits mir, naast mih, oudengels me, oudnoors mēr, naast mik, gotisch mis, naast mik; buiten het germ. latijn meus, oudpruisisch mais, oudkerkslavisch mojĭ, hettitisch -miš [mijn], latijn me (4e nv.), grieks me, oudiers [ik], oudperzisch, oudindisch mām [mij].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

mijn 2 bez. vnw. mnl. mijn, onfrank. os. ohd. ofri. oe. mīn, on. mī̌nn, got. meins < germ. *mīna-, dat gevormd is van *mī < idg. *mei, locatief van de stam *me, die ook voorkomt in de verbogen vormen van het pers. vnw. ik, zoals mij, me, mnl. mi, onfrank. mi, os. ofri. mi, ohd. mir, oe. me, on. mer, got. mis. — lat. meus, osl. mojĭ, opr. mais ‘mijn’. Voor de stam *me vgl. nog gr. emé-ge = os. mik, ohd. mih, oe. mec, on. got. mik. — Zie ook: mijnen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

mij voorn.w., dat. van ik, Mnl. mi, Onfra. dat. en acc. mi + Ohd. mir (Mhd. en Nhd. id.), Ags. (Eng. me), Ofri. mi, On. mér, Go. mis + Skr. Zd. ma, Arm. mek’, Gr. me, Lat. me, Oier. me, Osl. me: deze alle acc.; mij doet ook dienst als acc., deze echter was Os. mik, Go. id., Ohd. mih, Nhd. mich.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

mij ‘persoonlijk voornaamwoord’ -> Chinees-Maleis mèy ‘persoonlijk voornaamwoord’; Negerhollands mi(e) ‘ik, mij, mijn’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

mij* persoonlijk voornaamwoord 0901-1000 [WPs]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut