Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

mietje - (homoseksueel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

mietje zn. ‘homoseksueel’
Nnl. mietje (denigerend) ‘homo’ in is hij ook een mietje? [1882; WNT Aanv.], ‘weinig mannelijk persoon, slappe vent’ in die geen mietje wou worden genoemd als een meisje [1917; WNT Aanv.], ook wel mie ‘homo’ in de mieën ... knuffelden elkaar [1957; Heestermans 1980].
Mietje is de verkleinvorm van miet ‘homo’, zelf een verkorting van sodomiet ‘mannelijke homoseksueel, iemand die sodomie bedrijft’ [1555; WNT sodomiet], ook sodomieter, zie → sodomie. Later is het geherinterpreteerd als de verkleinvorm van mie, waarbij de associatie met de vrouwennaam Mie, verkorting van Maria, een rol kan hebben gespeeld.
De uitdrukking elkaar geen mietje noemen ‘elkaar niet bedotten, duidelijk zeggen waar het op staat’ [1861; WNT wij I] heeft met de betekenis ‘homo’ oorspronkelijk niets te maken; soortgelijke uitdrukkingen, ook met andere vrouwennamen, bestaan al eeuwen, bijv. laat ons malkanderen geen Luitje heeten ‘... niet foppen, voor de gek houden’ [1726; WNT luit II], ... malkander geen Liezebet heeten [1887; WNT liezebet], ... elkander geen Grietje noemen (ook Guitje, Pometje enz.) [1893; WNT griet].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

mie [homoseksueel] {na 1950} verkort uit sodemieter, met bijgedachte aan de vrouwennaam Mie (Maria).

mietje [homoseksueel] {1901-1925} verkleiningsvorm van mie.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

miet(je): homoseksueel; verwijfd persoon; ook gebruikt voor een man met een te zacht karakter. Bij Henke heet het: iemand, die een hekel heeft aan vrouwen. In de regel hetzelfde als hintemer*, flikker*. Tegenwoordig vooral populair in kringen van voetbalsupporters. Nederlandse voetballers komen nooit openlijk uit voor hun homoseksuele geaardheid. Het ergste waar je een supporter of speler voor uit kunt maken, is mietje. De term is ouder dan we geneigd zijn te denken. Het WNT geeft al een citaat uit 1882. Volgens de kleine Stoett is mietje voor mannelijke homoseksuelen een eufemistische verkorting van sodemieter, maar mogelijk wel beïnvloed door de meisjesnaam Mietje of verband houdend met catamiet, een bijbels woord voor ‘schandjongen’. Een bekende uitdrukking is laten we elkaar geen mietje noemen (reeds bij Harrebomée, Stoett en Huizinga). Ze werd opgetekend bij o.a. de Rotterdamse volksschrijver Willem van Iependaal (Polletje Piekhaar, 1935). Een mietjesma is homotaal voor een vrouw die veel optrekt met homo’s. Ook wel nichtenmoeder genoemd. Mieterig betekent ‘verwijfd’. Zie ook sissy*.

Rijke flikker! Dacht jij, dat jij je handen niet vuil hoefde te maken? Dat stinkt van het geld, en dat draagt niet eens een boord. Naaktloper! Miet! (Simon Vestdijk, De kellner en de levenden, 1949)
Die anderhalve man en een paardekop die we hebben bestaat nog voor de helft uit van die mietjes. (Jan Wolkers, De hond met de blauwe tong, 1964)
Zag twee mietjes/ met voetbalknietjes/ zie ze in de Leidsestraat/ lopen ze hun poten uit hun naad. (Arie B. Hiddema, Kassa, 1971)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

mietje ‘homoseksueel’ -> Papiaments michi ‘homoseksueel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

mie homoseksueel 1976 [GVD]

mietje homoseksueel 1882 [Aanv WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1517. Laten we elkaar geen Mietje noemen.

Volgens Harreb. II, 86 a zegt men dit ‘wanneer de dingen niet bij den regten naam worden genoemd, en zulks tot nadeel strekt’; elkander geen kool verkoopen. Geheel in denzelfden zin is ook bekend ‘elkander geen meisjes, Grietje, Elisabeth, Lijsbeth, Matje (Harreb. II, 68), Guitje, Luitje (Harreb. II, 61; I, 284), Pometje (in Gew. Weeuw. III, 41) noemen’ (wanneer men een anderen naam heeft); zie het Ndl. Wdb. V, 698; IX, 473; Tuinman I, 347; Lvl. 226: We hoeven mekaar geen Pietje en Mietje te noemen, hoor! Kalv. I, 150: Eerlijke handel! Laten wij mekaar toch geen Mietje noemen. Wie kan eerlijk in den handel zijn? Nkr. V, 14 Oct. p. 5: Pa, laten wij elkaar asjeblieft geen Mietje noemen!; Kippenv. II, 73; V. Looy, Jaapje, 221; 223; en vgl. het fri.: lit us elkoar gjin Lütsen neame; in Zuid-Nederland: we zullen malkander geen Liezebeth noemen, malkander niet bedriegen (Waasch Idiot. 404; Antw. Idiot. 763). Ook: Laten we elkander geen Mietje noemen, dat is een vrouwennaam.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut