Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

mier - (insect)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

mier zn. ‘insect uit de familie der Formicidae
Mnl. mire ‘mier’ [1240; Bern.], meestal miere, zoals in Formica heten wi die miere ‘(Latijn) formica noemen wij mieren’ [1287; VMNW].
Mnd. miere (wrsch. ontleend aan het Nederlands); nzw. myra; Krim-Gotisch miera; < pgm. *meurōn-, *meurjōn- ‘mier’. Daarnaast bestond een ablautende vorm pgm. *maura- zoals in on. maurr ‘mier’ (nno. maur).
Verwant met: Grieks múrmēx; Avestisch maoiri-; Oudkerkslavisch mravii (Russisch muravéj); Oudiers moirb; Armeens mrjimm; bij de wortel pie. *morw- ‘mier’ (IEW 749). Met anlautend w- en inlautend -m- horen hierbij wrsch. ook: Grieks búrmax, bórmax ‘mier’; Sanskrit vamrá- ‘id.’; maar de exacte verhoudingen zijn niet duidelijk (Mayrhofer 1956-80, II, 146-147).
In Oost-Nederlandse dialecten verschijnt ook emt ‘mier’, verwant met Duits Ameise en Engels ant. Deze woorden horen bij de wortel pgm. *mait-, zie → mijt.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

mier1* [insect] {mi(e)re, mere 1201-1250} middelnederduits mire, oudengels myre, oudnoors maurr, krimgotisch miera; buiten het germ. latijn formica (vgl. formiaat), grieks murmèx (eolisch bormax), oudiers moirb, oudkerkslavisch mravi (russisch muravej), oudindisch vamra-, vamrī [mier]; de in de verschillende talen nogal afwijkende vormen kunnen wijzen op een vroeger taboe, vgl. zeikmier.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

mier 1 znw. v., mnl. miere, mnd. mire, me. mire (ne. pismire). Daar de nd. vorm miere uit het nnl. herkomstig is (Teuchert, ZfdMund. 18, 1923, 177, Sprachreste 354-361 met kaart 48 en Rooth, Noordfri. Streifzüge 92 vlgg.), kunnen wij uitgaan van een grondvorm met eo, waartoe ook behoren krimgot. miera, nzw. myra, nde. myre < germ. *miuriōn; daarnaast abl. on. maurr m. — Men gaat uit van idg. *morvi en vergelijkt oiers moirb, osl. mravija, av. maoiri-, maar ook gr. múrmēx. De namen vertonen zeer verschillende vormen, waarvoor vgl. van Wijk IF 33, 1914, 367 en IEW 749; wij zullen wel aan de invloed van taboe-verschijnselen mogen denken.

Een woord als ne. pismire, vgl. Kiliaen pismiere is te vergelijken met Kiliaen pisimme, of in oostel. dial. miegemt, mieghummel, waarvan het 2de lid emte, vgl. mnl. âmete, mnd. āmete, emete, ohd. âmeiʒa (nhd. ameise), oe. œmette, die mogelijk samenhangen met de onder aamt behandelde woorden.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

mier I (insect), mnl. miere v. = mnd. mîre v. “mier”, meng. mire (eng. pis-mire) “id.”. Tegen een grondvorm met eo pleit mnd. mîre v. Toch zullen wij — hoe of dit mîre ook te verklaren is — wel van een eo-vorm moeten uitgaan, die verwant is met krimgot. miera en germ. *miuriôn-, de. myre, zw. myra “mier” (ook meng. mire?), waarmee on. maurr m. “id.” in ablaut staat. Het is mogelijk, dat deze germ. woorden tot ier. moirb (*morwi-), lat. formîca, gr. múrmēx, bórmax, serv. mráv, russ. murawéj, arm. mrǰimn, mrǰiun, oi. vamrá-, vamrī́ - (valmī́ka- “mierenhoop”), av. maurvay- “mier” in eenige betrekking staan. Minder wsch. is ’t, dat de Germ. woorden met lit. mauróti “woelen” verwant zijn. Misschien moeten we alle of de meeste geciteerde vormen uit idg. *mormĭ -, *mormo- (of *momrĭ -, *momro~) verklaren door verschillende dissimilaties.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

mier I (insect). Op ndd. gebied is het woord uit de Nederlanden ingevoerd: Teuchert ZsfdeuMua. 18, 177; vgl. ook Rooth Nordfri. Streifzüge 92 vlgg. Vgl. hermoes Suppl. Mnd. mîre vormt dus geen bezwaar tegen een grondvorm met eo.
Een betoog voor de herleiding van de vormen uit verschillende talen tot een idg. *momro-, *momrī̆- en abl. vormen met e bij v.Wijk IF. 33, 367 vlgg. Deels door ontwikkeling van -mr-, deels door dissimilatie zijn hieruit de meeste vormen te verklaren, ook germ. *meur- < *memr- (het on. woord uit *mour- < *momr-).
Een synoniem is emte (vgl. v.Wijk Aanv. op aamt), dat in de Achterhoek nog in de samenst. miegemt voorkomt. Dergelijke, met eng. pis-mire te vergelijken samenstt. met miegen (zie mest; overijs. dr. gron. mieghummel), verder met pissen (Kil. pis-imme, pis-miere) zijn in N.O. diall. de gewone benamingen. Voor het Ndd. vgl. Rooth a.w. 82 vlgg. In het Rijnl. ook samenstt. met zeiken: vgl. Kil. mier-seycke.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

mier 2 v. (afkeer), verbaalabstr. van mieren = krielen, jeuken, dat afgel. is van mier 1.

mier 1 v. (insekt), Mnl. miere + Ags. mýre (Eng. mire), On. maurr (Zw. myra, De. myre), Krimgothisch miera + Zend maurvay-, Arm. mrjimn, Gr. múrmēx, Ie. moirb, Osl. mravija ; Skr. vamras metath. van marvas; Lat. formica is ook wellicht het resultaat van een metath. Het Hgd. heeft een geheel ander woord: ameise, waarover z. emelt.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

mier: van een mier een olifant maken (maakte, heeft gemaakt), van een mug een olifant maken, iets van weinig betekenis opblazen. Dat in Suriname de mensenrechten niet worden nageleefd, er wordt zovéél gezegd. Ze kunnen van een mier een olifant maken (Ingrid Bouterse volgens Elsevier Magazine, cit. volgens WS 4-1-1986).

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Mier snw. Segsw.: Het jy dan miere in jou gat? gesê teenoor ’n kind wat rusteloos is, nie stil kan sit nie. – Joos 230: “Mieren in zijn gat hebben, niet gerust kunnen zitten, zeer zenuwachtig zijn;” Harreb. I, 8: Hij heeft wormen (of: mieren) in den aars (uit ’n 16de–eeuse Suid-Nederlandse bron). Vgl. Stoett 1514.

Mierie snw. In die distrik Beaufort-Wes word hierdie vorm gehoor vir mier. – De Bo: “Mierie, v., mv. mieriën. Hetzelfde als Mier, fr. fourmi.”

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

mier ‘insect’ -> Fries mier ‘insect’; Duits dialect Miere ‘insect, (meervoud) miereneieren’; Ambons-Maleis mir ‘insect’; Kupang-Maleis mir ‘insect’; Berbice-Nederlands mira ‘insect’; Skepi-Nederlands mira ‘insect’; Sranantongo mira ‘insect’; Arowaks miri ‘insect’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

mier* insect 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut