Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

middenrif - (tussenschot tussen borst- en buikholte)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

middenrif* [tussenschot tussen borst- en buikholte] {middelrijf 1485; de vorm middenrif wordt in 1913 nog ‘ongewoon’ genoemd} middelnederduits middelrif, oudfries, oudengels midhrif (engels midriff), van middel + rif2.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

middelrif

In tal van woorden: middelmoot, middelpunt, middellijn enzovoorts duidt het woorddeel: middelaan: wat in het midden ligt. Het middelrif is dus het rif dat in het midden van het lichaam borstholte en buikholte van elkaar scheidt. De vraag blijft wat dan een rif is. Dit woord komt voor in de betekenis: klip, in die van: reef, strook aan het zeil en in die van: lichaam, in het bijzonder: dood lichaam. Ook in de betekenis: geraamte treft men het aan. Tollens spreekt van de Dood met zijn ratelend rif. Het is een echt Germaans woord; daarbuiten zijn geen verwante woorden aan te wijzen. Middelrif is: het deels spierachtige, deels peesachtige schot dat het lichaam in het midden in tweeën deelt. Men hoort ook wel het woord middenrif gebruiken, zoals ook middenpunt naast middelpunt en middenschot naast middelschot voorkomen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

middelrif znw. o., laat-mnl. middelrijf, Kiliaen middelrif, middelrift, mnd. middelrif, vgl. ook ofri. midref, midrif (ook: midrith, midrether, midhrether), oe. midhrif, midrif m.o. (ne. midriff), midhridir ‘ilia, omentum’. — Zie: rif 2.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

middelrif znw. o. Kil. middelrif(t), laat-mnl. middelrijf o. (als middelryf (-rif) op te vatten). = mnd. middelrif’, vgl. ofri. midrëf, midrif o. (naast midrith, midr(h)ether o.), ags. mid(h)rif m.o. “middenrif” (eng. midriff’; ags. midhridir, -ðre = “ilia, omentum”). Zie rif II.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

middelrif s.nw. Ook midderif.
Spieragtige afskorting tussen die borskas en buikholte.
Uit Ndl. middelrif (al Mnl.).
Ndl. middelrif uit Eng. midriff (voor 1100), gevorm van mid 'middel' en hrif 'buik', so genoem omdat die afskorting ongeveer in die middel van die bolyf tussen die borskas en buikholte geleë is.
Vgl. diafragma 1.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

middenrif* tussenschot tussen borst- en buikholte 1485 [MNW rijf]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut