Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

middel - (het middelste deel; instrument), ook in samenstellingen

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

middel zn. ‘het middelste deel van het lichaam, taille; instrument’
Onl. middil ‘zich in het midden bevindend’ in toponiemen, bijv. Mitilistenheim (met superlatiefsuffix) ‘Middelstum (Groningen)’ [751-800, kopie 9e eeuw; Gysseling 1960], Middelhem (plaats in Frans-Vlaanderen) [826, kopie 961; Gysseling 1960]; mnl. middel (bn.) ‘zich in het midden bevindend’ in jn middel somer ‘in het midden van de zomer’ [1269; VMNW], (zn.) ‘het midden’ in Jn die middele van hem ‘in het midden van hen’ [1285; VMNW], ‘het middelste deel van het lichaam, taille’ in Si was lanc, ter middelt smal (met paragogische -t) ‘ze was lang en had een slanke taille’ [1340-60; MNW-R], sonder middel ‘zonder tussenkomst (van wie of wat dan ook)’ [1354; MNW], bij middle Mier Vrouwen ‘door bemiddeling van mijn Vrouwe (de hertogin)’ [1460-80; MNW-R]; vnnl. middel ‘instrument, hulpmiddel (ook in abstracte betekenis)’ in door middel van een Weet-brief ‘door middel van een gerechtelijke brief’ [1517; iWNT weetbrief], middel om yet te doen, een middel van leven, by wat middel [alle 1573; Thes.].
Zelfstandig gebruik van het bn. middel ‘zich in het midden bevindend’.
Bij het bn. middel horen: os. middil; ohd. mittil (nhd. mittel); ofri. middel (nfri. mil, mul ‘taille’, anders middel); oe. middel (ne. middle); met West-Germaanse geminatie voor -l- < pgm. *midla-, waaruit ook nog on. meðal (nzw. medel). Dit is een afleiding van *midja- ‘zich in het midden bevindend’, zie → midden.
Het bn. middel ‘zich in het midden bevindend’ is verouderd, maar nog goed te herkennen in de vele afleidingen, zoals middelbaar, middelen (zie onder en de verwijzingen aldaar), middelmatig. Bovendien is het als voorvoegsel productief in samenstellingen met een zelfstandig naamwoord, zoals middeleeuwen, middelgebergte, middelpunt, middelvinger, Middelnederlands, of met een bijvoeglijk naamwoord, zoals middelgroot, middelhard, middelzwaar.
Het zn. middel is in de algemene betekenis ‘het midden’ ook verouderd.
middelen ww. ‘het midden houden, het gemiddelde berekenen’. Mnl. middelen ‘tot stand brengen, tot overeenstemming brengen’ [1300-50; MNW], zie → bemiddelen; vnnl. ‘het gemiddelde van iets bepalen’ [1646; iWNT], zie ook → gemiddeld. Afleiding van middel.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

middel* [middelste deel, zn.] {als bn. in de plaatsnaam Mittelburgenses, Mithilburgensis, nu Middelburg (Zeeland) <1102-1105>, als zn. middel 1269} is het zelfstandig gebruikt bn. middel, afgeleid van het eerste lid in middag.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

middel 1 znw. o. mnl. middel o. v. m. ‘het midden, middelmaat, middel van het lichaam, tussenpersoon, belemmering, ruimte, afstand, bemiddeling, toedoen’, sedert de 16de eeuw ook ‘hulpmiddel’, mnd. middel, mhd. mittel o. ‘midden, middelpunt, scheidend voorwerp, bemiddeling’, oe. middel ‘midden, middelpunt, middel van het lichaam’ (ne. middle), afl. van germ. *miðja-, waarvoor zie: middag.

middel 2 1ste lid van samenstellingen, mnl. middel (ook als afzonderlijk woord), os. middil-, ohd. mittil-, oe. middel (ne. middle). — Zie: middel 1 en middag.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

middel- I, eerste compositielid. Komt mnl. nog als afzonderlijk bnw. voor, in bet. = germ. *miðja- (zie middag) “middelst, middel-”. = ohd. mittil (nhd. mittel), os. middil (in middilgard rn. (v.) “aarde”), ofri. ags. middel (eng. middle) “id.”, in gelijke bet. ohd. mëtal, on. mëðal- (in samenstt.).

middelst. De superl. van middel- komt reeds mnl. voor, ook ofri. en ags.

middel II znw. o., mnl. middel o. (v.m.) “het midden, de middelmaat, middel van ’t lichaam, tusschenpersoon, scheidend voorwerp, belemmering, ruimte, afstand, bemiddeling, toedoen”, sedert de 16.eeuw “hulpmiddel”. Gesubstantiveerd bnw. = mhd. mittel o. “midden, middelpunt, scheidend voorwerp, bemiddeling”, (nhd. mittel), mnd. middel o.m. “id.”, ags. middel m. “midden, middelpunt, middel van het lichaam” (eng. middle).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

middel o. en v., is in alle bet. het zelfst. gebr. bijv.nw. middel (in middelrif), Mnl. id., Os. middil + Ohd. mittel (Mhd. en Nhd. id.), Ags. middel (Eng. middle): afgel. van ’t bijv.nw. *mid, besproken bij middag.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

middel s.nw.
Middelste deel.
Uit Ndl. middel (al Mnl.). Volgens Scholtz (1965: 179) kom in Ndl. in hierdie bet. tans net midden voor, en wel as bw., teenoor Afr. middel wat uit 17de-eeuse Hollands behoue gebly het. Eerste optekening in vroeë Afr. in 1779 by Wikar (Scholtz 1965), waarna in Afr. by Pannevis (1880).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetensckap en Kuns

middel: s.nw. en bw.; Scho (TWK/NR 7, 2, p. 13) betoog dat Ndl. midden as s.nw. sedert end 17e eeu middel verdring het, terwyl midden alleen as bw. in Ndl. oorbly, hoewel middel wsk. i. 17e-eeuse Holl. byw. gebr. is, terwyl middel in Afr. opgang gemaak het en midde “net in sekere vaste verbindings of ’n bietjie boekagtige taal bekend is” – by Wik middel as bw.

middel: s.nw. en bw.; Scho (TWK/NR 7, 2, p. 13) betoog dat Ndl. midden as s.nw. sedert end 17e eeu middel verdring het, terwyl midden alleen as bw. in Ndl. oorbly, hoewel middel wsk. i. 17e-eeuse Holl. byw. gebr. is, terwyl middel in Afr. opgang gemaak het en midde “net in sekere vaste verbindings of ’n bietjie boekagtige taal bekend is” – by Wik middel as bw.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Middel, eig. een afl. van mid (zie Midden), vgl. middelpunt, enz. Daarna als z.n.w.: wat zich in ’t midden bevindt: bijv.: het middel = het middellijf, maar ook: ding in het midden van twee anderen, waardoor iets wordt „bemiddeld”, wordt gemaakt, tot stand komt: snijden door middel van een mes: het mes bevindt zich te midden van de hand en het hout; een middel tegen ziekten enz.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

middel ‘middelste deel, bijv. van een lichaam’ -> Russisch mídel' ‘grootste breedte van het schip’; Litouws midelis ‘grootste breedte van het schip’; Negerhollands middel ‘middelste deel, bijv. van een lichaam’; Berbice-Nederlands mendle ‘middelste deel, bijv. van een lichaam’.

middel ‘hulpmiddel’ -> Deens middel ‘hulpmiddel, stof met bepaalde werking’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds medel ‘hulpmiddel, stof met bepaalde werking’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands midlen ‘hulpmiddelen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

middel* middelste deel, bv. van een lichaam 1102-1105 [Claes]

middel* hulpmiddel 1573 [Plantijn]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

436. Het doel heiligt de middelen,

d.i. ter bereiking van een goed doel mag men ook slechte middelen, indien het niet anders mogelijk is, gebruiken. Deze theorie zal wel zoo oud zijn als de wereld, al wordt ook door velen gemeend dat zij openlijk het eerst door de Jezuieten is verkondigd, ter verdediging van den tirannenmoordInderdaad heeft een beroemd Jezuiet Mariana in een geschrift De rege et regis institutione (1599) den tirannenmoord verdedigd, doch dit geschrift is, evenals de Theologia moralis van Busenbaum, waarin de vorstenmoord in bescherming genomen werd, door de Jezuietenorde openlijk verloochend. Zie Dr. P.J. Blok, De Jezuieten, bl. 36-37; J.H. Maronier, De orde der Jezuieten, bl. 192 vlgg.; Ned. Spect. 1900, bl. 171; 187; Wetzer und Welte's Kirchenlexikon VI, 1374 vlgg. In Zeitschr. für D. Wortf. X, 231 wordt Macchiavelli als eerste verkondiger dezer theorie vermeld.. Waarschijnlijk is deze meening, dat men den oorsprong dezer zegswijze bij de Jezuieten moet zoeken, het eerst ontstaan door de geschriften van Pascal, een fellen tegenstander dier orde, die in zijne Lettres Provinciales no. 7, een Jezuiet laat zeggen: nous corrigeons le vice du moyen par la pureté de la fin, wellicht denkende aan de woorden van den pater Jezuiet Busenbaum, die in zijne Medulla theologiae moralis, anno 1650, lib. IV, cap. 3, deel VII, art. II § 3 zegt: cum finis est licitus, etiam media sunt licita, waarbij deze evenwel uitdrukkelijk slechte middelen uitsluit. Eerder zal men den oorsprong van dit gezegde kunnen zoeken in de woorden van Thomas Hobbes (1588-1679), die in zijn geschrift De Cive, I, 8 zegt: Quoniam autem jus ad finem frustra habet, cui jus ad media necessaria denegatur, consequens est, cum unusquisque se conservandi jus habeat, ut unusquisque jus etiam habeat utendi omnibus mediis et agendi omnem actionem, sine qua conservare se non potest (Büchmann, 422).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut