Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

middag - (het midden van de dag)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

middag zn. ‘het midden van de dag’, (NN) ‘dagdeel tussen ochtend en avond’
Onl. middondag in An auont in an morgan in an mitdondage tellon sal ic, in kundon ‘'s Avonds, 's morgens en 's middags zal ik vertellen en verkondigen’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. middach ‘middaguur’ in prime. ende ondern. ende middach. ende none. ende completen ‘priem, terts, sext, noen en completen (de kleine getijden)’ [1236; VMNW], middag ‘het middaguur’ [1240; Bern.], Omtrent middach ‘omtrent het middaguur’ [1285; VMNW]; nnl. middag “tijd van het midden des daags tot zonsondergang” [1810; Frieseman], zijn vrije middagen [1941; iWNT athletiek].
Samenstelling van Proto-Germaans *middi- ‘in het midden’, zie → midden, en → dag.
Os. middi dag; ohd. mittitag (nhd. Mittag); ofri. middei (nfri. middei); oe. middæg (ne. midday); on. miðr dagr, miðdagr (nzw. middag ‘diner’).
Het model voor deze samenstelling is al oud; op dezelfde manier zijn bijvoorbeeld gevormd: Latijn merīdiēs ‘middaguur’ (< *medi-dies met dissimilatie); Sanskrit madhyámdina- ‘id.’.
De oorspr. betekenis is ‘het midden van de dag, het middaguur’. Aangrenzende dagdelen duidde men aan met voor de middag of voormiddag resp. na de middag of namiddag (klemtoon op mid). Dit is nog steeds de situatie in het BN en ook in het Duits hebben Vormittag, Nachmittag die oorspronkelijke betekenis. In het NN is middag bij uitbreiding ook, en tegenwoordig vooral, ‘het gehele dagdeel tussen de ochtend en de avond’ gaan betekenen. Dit leidde tot de samenstellingen NN voormiddag ‘de eerste uren na het middaguur’ en namiddag ‘de laatste uren voor de avond’. De eerste uren na het middaguur duidt men zowel in het NN als het BN ook wel aan met tussen de middag.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

middag* [midden van de dag] {oudnederlands mitdondage (3e nv.) 901-1000, middelnederlands middach} oudsaksisch middi dag, oudfries middei, oudengels middæg, oudnoors miðr dagr, het eerste lid is een bn., oudsaksisch middi, oudhoogduits mitti, oudfries midde, oudengels mid, oudnoors miðr, gotisch midjis [middelste, midden-]; buiten het germ. latijn medius, grieks mes(s)os, oudindisch madhya-.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

middag znw. m., mnl. middach m., onfrank. 3de nv. mitdon dage, os. middi dag, ohd. mitti tag, mittitag (nhd. mittag), ofri. middei, oe. middæg, midd dæg, (ne. midday), on. miðr dagr, miðdagr. Samenstelling van dag met het woord onfrank. *middi, os. middi, ohd. mitti, ofri. midde, oe. midd, mid, on. miðr, got. midjis ‘middelste, midden-’ — lat. medius, gr. mésos, oi. madhya, gall. Medio-lanum, waarnaast oiers mide ‘het midden’, osl. mežda ‘grens’ (meždu ‘tussen’), arm. mēǰ ‘midden’ (IEW 706-707). — Zie ook: mede 2, middel, midden, mits.

De idg. grondvorm *medhi kan een afl. zijn van een idg. wt. *me ‘midden in’, waarvan ook het voorz. met gevormd is.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

middag znw., mnl. middach (gh) m. = onfr. *middi dag (dat. mitdon dage), ohd. mitti tag, mittitag (nhd. mittag), os. middi dag, ofri. middei, ags. mid(d) dæg, middæg (eng. midday), on. miðr dagr, miðdagr m. “middag”. Een in de verschillende talen op den duur tot één woord geworden verbinding van het znw. dag met het bnw. onfr. *middi, ohd. mitti, os. middi, ofri. midde, ags. mid(d), on. miðr, got. midjis “middelste, midden-”, = gall. Medio-(lânum), lat. medius, gr. méssos, mésos, oi. mádhya-”id.”, gesubstantiveerd: ier. mide “midden”, obg. mežda “(‘midden), grens” (meždu “tusschen”), arm. mêǰ “midden”. [Lit. me͂dis “boom”, opr. median, lett. meʃchs “bosch” worden wsch. ten onrechte hierbij gebracht.] Zie verder mede II. Mnl. komt mid- nog in andere samenstt. voor, soms ook de vorm mēde-(bijv. mēdewinter naast midwinter m.), die op ‘miði- teruggaat. Vgl. nog mits. Voor verdere formaties zie middel-, midden. Zonder j of i in ’t formans vgl. nog ofri. mëdemest, ags. mëduma (midmest)”middelst”,ohd. mëtamo, mëtemo “mediocris”, got. miduma v. “midden”, av. maðə ma- “middelst”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

middag m., Mnl. middach + Hgd. mittag: het eerste lid is het bijv.nw. *mid, Os. middi + Ohd. mitti (Mhd. mitte, Nhd. id.), Ags. midd (Eng. mid in samenstellingen), Ofri. midde, On. midr (De. midt), Go. midjis + Skr. madhyas, Arm. méj, Gr. méssos (d.i. *medhios), Lat. medius, Oier. mide, Osl.mežda: Idg. wrt. medh.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

mid’dag (de, -en), (ook:) ongeveer de periode van 18.00 tot 19.00 uur, de vooravond. Want een van de regelmatigheden van Nene was het mond wassen* zo tegen halfzeven ’s middags in de achtergallerij (Dobru 1980: 47).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Middag: ’t midden van den dag. Mid is ’t oude woord voor midden (Hooft schrijft nog: De koning stond in ’t mid); het komt ook voor in: midvasten, midzomer, midwinter.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

middag ‘midden van de dag, namiddag’ -> Negerhollands middag, meddag ‘midden van de dag, namiddag’; Arowaks méndaka ‘namiddag’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

middag* midden van de dag 1236 [CG I1]

middag* namiddag 1452-1494 [HWS]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut