Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

mevrouw - (aanspreekvorm voor een vrouw)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

mevrouw zn. ‘aanspreekvorm voor een vrouw’
Mnl. Mine vrouwe die coninghinne ‘mijn vrouwe de koningin’ [1300-25; MNW-R], an mer vrouwen ‘aan mijn heerseres’ (hier nog met verbogen voornaamwoord) [1343-44; MNW mer III], recht ende justicie ..., ghegheven ende verleent by mevrauwe Marye [1488; MNW inbrekere]; vnnl. mevrouw(e) ‘getrouwde vrouw van deftige stand’ in dat hunne Huys-vrouwen worden ghenoemt oft ghe-intituleert, Me-vrouwe ‘dat hun echtgenotes worden betiteld als mevrouwe’ [1595; iWNT].
Samenstelling van → mijn 1 en → vrouw, gebruikt als titel van de landsvrouwe of een andere aanzienlijke vrouw, naar analogie van → meneer uit mijn heer.
In het Middelnederlands werden adellijke of anderszins belangrijke vrouwen betiteld als vrouwe. Het woord mevrouw ging men pas later gebruiken. In de loop van de tijd werd deze aanspreektitel steeds algemener: vanaf de Vroegnieuwnederlandse periode kon elke getrouwde vrouw van enigszins hogere stand mevrouw genoemd worden en in de 20e eeuw werd het woord de algemene aanspreektitel voor elke getrouwde vrouw, waarbij het contrasteerde met → juffrouw ‘ongetrouwde vrouw’. Na de Tweede Wereldoorlog verdween de gewoonte om in het sociaal verkeer onderscheid te maken tussen getrouwde en ongetrouwde vrouwen en werd mevrouw de algemene aanspreektitel voor elke volwassen vrouw.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

mevrouw* [aanspreektitel voor een vrouw] {mevrouwe 1431-1436} ontstaan uit mijnvrouwe, waarbij vrouwe oorspr. betekende ‘heerseres, meesteres’, vervolgens ‘edelvrouwe, deftige dame’ → meneer.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

mevrouw znw. v., laat-mnl. mevrouwe > mǝn vrouw < mijn vrouw.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

mevrouw znw. Een reeds laat-mnl. vorm. Uit mən (proclitisch uit mijne) -+- vrouw.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

mevrouw ‘aanspreektitel voor een vrouw’ -> Fries mefrou ‘aanspreektitel voor een vrouw’; Engels mevrouw, mevrou ‘aanspreektitel voor een Nederlandse of Afrikaans sprekende Zuid-Afrikaanse (gehuwde) vrouw’ ; Duits dialect † Mefrau, Müfrau ‘vorname burgervrouw; aanspreektitel voor een vrouw’; Indonesisch mevouw ‘aanspreektitel voor een Nederlandse vrouw’; Ambons-Maleis meprau, memprow ‘aanspreektitel voor een vrouw’; Boeginees † mempôro, mempôræ ‘vrouw van de Gouverneur’; Chinees-Maleis mefrow ‘aanspreektitel voor een vrouw’; Javaans mepro, mipro ‘aanspreektitel voor een vrouw’; Kupang-Maleis mofrou ‘aanspreektitel voor een vrouw’; Makassaars † mêmporo, memporố ‘vrouw van de Gouverneur’; Menadonees mofrou ‘aanspreektitel voor een vrouw’; Ternataans-Maleis mofrou ‘aanspreektitel voor een vrouw’; Sranantongo ifrow ‘aanspreektitel voor een vrouw, jongedame’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

mevrouw* aanspreektitel voor een vrouw 1431-1436 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut