Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

meuk - (bewaarplaats; rommel; bn. zacht, week)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

meuk zn. (NN) ‘oude troep’
Vnnl. muyck, muydick ‘bewaarplaats voor appelen en peren’ [1599; Kil.], meuck ‘bewaarplaats voor geld’ [1629; WNT], later: ‘hoop rommel als huisraad, vuil goed, enz’ [1906; WNT].
Mnd. mudeke ‘bewaarplaats voor fruit’; ohd. mūttun ‘schuur’ (nhd. dial. Muttich, Mutch, Mautch ‘bewaarplaats voor fruit, geld’). Nederlandse dialectvormen zijn o.a. Oost-Vlaams muik, meunk ‘geheime bewaarplaats voor fruit, voor geld; spaargeld’ (Debrabandere 2005), Zeeuws muke ‘warme plek in het hooi om vruchten te laten rijpen’ (Debrabandere 2007).
Meestal wordt aangenomen dat het woord verwant is met het bn. meuk, muik ‘zacht, week’ en dat de huidige betekenis van het zn. voortkomt uit ‘plaats waar fruit rijp en zacht wordt’. Het bn. behoort bij mnl. en mnd. muke ‘zacht’, mhd. mūche ‘paardenziekte’, on. mjúkr ‘zacht’ (nzw. mjuk ‘id.’); en gaat terug op pgm. *meuka- ‘zacht’ < pie. *meug-, een uitbreiding van de wortel *meu- ‘vochtig, vuil’ (IEW 741-742). De dentaal in de oudste Nederlandse en in de Hoog- en Nederduitse vormen passen echter niet in deze etymologie. Wrsch. is de oorspr. betekenis ‘geheime bewaarplaats’ < ‘geheim’. In dat geval zijn wrsch. verwant: West-Vlaams muken ‘achterbaks zwijgen’, Zeeuws muker ‘valse grappenmaker’ (Debrabandere 2007); Fries (te) muuk ‘in het geheim’; nno. dial. muta ‘geheim, verborgenheid’; en wellicht ook oe. myderce, mydrece ‘kist, koffer’. De verdere etymologie is in dat geval onbekend.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

meuk1* [bewaarplaats (voor appels en peren, voor geld)] {1672} nederduits mudeke ablautend bij muik2 en hetzelfde als meuk2, dus oorspr. ‘plaats waar het fruit rijp wordt gemaakt’.

meuk2* [zacht, week] {mueck 1567} middelnederlands muken [meuken], engels meek, oudengels meoc (mogelijk <) oudnoors mjūkr, gotisch mukamodei [nederigheid]; buiten het germ. latijn mucus [slijm, snot], oudiers mocht [zacht].

muik2* [bewaarplaats voor appels en peren] {muyck 1599} eig. ‘de plek waar ze zacht worden’, vgl. het bn. muik [week]; ablautend bij meuk2, meuken [zacht worden].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

meuk 1 znw. v. ‘bewaarplaats voor appels of peren’, mnl. muedeke (limb.), Kiliaen muyck, muydick, vgl. nnd. mū̌deke, silez. maute v. ‘bergplaats van ooft’, beiers mauten ‘voorraad van ooft, die weggeborgen is’, ohd. mūttun ‘horrea’. Germ. grondvormen zijn *mūd, mŭd, die met de groep van modder te verbinden zijn; de oorspr. bet. van het woord is dus ‘plaats waar het ooft zacht gemaakt, gerijpt wordt’. — Zie ook: muik.

Voor de verspreiding van dit woord naar een gebied ten O. van de Elbe door nl. kolonisten waar het leeft als mudeke vgl. Teuchert, Sprachreste 224-6 en kaart op blz. 227.

muik 1 znw. v. ‘geheime donkere bewaarplaats’; daarnaast abl. meuk (zie aldaar).

muik 2, meuk bnw. ‘zacht, rijp’, nnd. mūk, muək van een germ. stam *mūka resp. *mŭka. Daarnaast staat *meuka in on mjūkr ‘week’, ws. een afl. van de idg. wt. *meu ‘vochtige massa’ (oorspr. mogelijk leempap voor het besmeren van de huiswand’ (vgl. AEW 389). — Zeker is er een kruising met het woord muik voor ‘bewaarplaats van appels’, waarvoor zie meuk 1.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

meuk 1 bijv.(murw), berust op den zw. graad (eu uml. van ō) van denz. wortel waarvan muik den normalen graad vertoont.

meuk 2 v. (bewaarplaats), Kil. muydik + Hgd. muttich, mauche, Ags. myderce.

muik 2 bijv.(week), + Meng. meoc (Eng. meek), On. mjúkr (Zw. mjuk, De. myg), Go. mûks: niet verder na te gaan; z. ook meuk.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

muik 1, meuk, zn.: plaats waar fruit ligt te rijpen. Ovl. ook ‘geheime bewaarplaats voor fruit, voor geld; spaargeld’. Zeeuws muke ‘warme plek in ‘t hooi om vruchten te laten rijpen’, muken, meuken ‘laten rijpen van mispels of andere vruchten in het hooi of stro’. Mnl. muke ‘heimelijk beraamd plan’, Vnnl. muyck, muydick ‘bewaarplaats voor fruit’; muycken, mouteren ‘zacht maken’ (Kiliaan). 1781 muijk ‘plaats alwaar men appelen, peren … bewaart’, Meierij (Heeroma). Mnd. mudeke, Silezisch maute ‘bergplaats van ooft’, Beiers mauten ‘weggeborgen voorraad ooft’, Ohd. mûttun ‘schuur’. D. Muttich, Mutch, Mautch (DW): Hessen muttich ‘bewaarplaats voor fruit, geld’, Westerwald mautch, mutch ‘verstopte bergplaats voor fruit om het te laten rijpen’, Zwitsers Duits mütach, mutich, mauke ‘voorraad (fruit, geld), verborgen schat’. Verwant met N. dial. muta ‘geheim, verborgenheid’? Ndl. ter muik, Fri. te muuk ‘in het geheim’. Wvl. muken ‘achterbaks zwijgzaam zijn’. Vgl. D. meucheln ‘verraderlijk vermoorden’ < ‘heimelijk snoepen, heimelijk handelen’, Mhd. mûchen ‘verstoppen, verbergen’, E. dial. to miche ‘zich verstoppen’. Idg. *meug- ‘heimelijk loeren’. Het woord wordt ook wel verbonden met meuk, muik ‘zacht, week’ (Van Dale, De Vries, Weijnen): Ndd. mûk, E. meek ‘zachtmoedig’, On. mjûkr ‘week’, Got. mukamodei ‘zachtmoedigheid’, Oudiers mocht ‘zacht’. Maar dat verdient wellicht geen aanbeveling, als de primaire betekenis van meuk niet is ‘plaats waar fruit rijp, zacht wordt’, maar veeleer ‘geheime bergplaats’.

muik 2, zn.: incubatie, het onder de leden hebben van een ziekte. Hetzelfde woord als muik 1 met de bet. ‘verborgen toestand’. Vandaar ook het ww. muiken van een ziekte die nog niet uitgebroken is, of in de zin van broeien ‘in het geheim, ongezien groeien, ontstaan’.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

meuke, moke zn.: losse grond. Van meuken ‘zacht worden’, zie meuken 2.

muke zn.: warme plek in het hooi om vruchten te laten rijpen. Zie meuken 2. Ook Ovl. muik, meunk ‘geheime bewaarplaats voor fruit, voor geld; spaargeld’. Meunk met n-epenthesis uit meuk, ablautend naast muik. Mnl. muke ‘heimelijk beraamd plan’, Vnnl. muyck, muydick ‘bewaarplaats voor fruit’ (Kiliaan). Mnd. mudeke, Silezisch maute ‘bergplaats van ooft’, Beiers mauten ‘weggeborgen voorraad ooft’, Ohd. mûttun ‘schuur’. D. Muttich, Mutch, Mautch (DW): Hessen muttich ‘bewaarplaats voor fruit, geld’, Westerwald mautch, mutch ‘verstopte bergplaats voor fruit om het te laten rijpen’, Zwitsers Duits mütach, mutich, mauke ‘voorraad (fruit, geld), verborgen schat’. Verwant met Oe. myderce, mydrece ‘kist, koffer’ (WNT) of veeleer met N. dial. muta ‘geheim, verborgenheid’? Fri. te muuk ‘in het geheim’. De verbinding met meuk, muik ‘zacht, week’ (Van Dale, De Vries) is wellicht niet aangewezen, als de primaire betekenis van meuk niet is ‘plaats waar fruit rijp, zacht wordt’, maar veeleer ‘geheime bergplaats’. Zie ook muker.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

muik (W), meunk (W, ZO), zn. m.: geheime bewaarplaats voor fruit, voor geld; spaargeld. Meunk met n-epenthesis uit meuk, ablautend naast muik. Zeeuws muke 'warme plek in 't hooi om vruchten te laten rijpen', muken, meuken 'laten rijpen van mispels of andere vruchten in het hooi of stro'. Mnl. muke 'heimelijk beraamd plan', Vnnl. muyck, muydick 'bewaarplaats voor fruit' (Kiliaan). Mnd. mudeke, Silezisch maute 'bergplaats van ooft', Beiers mauten 'weggeborgen voorraad ooft', Ohd. mûttun 'schuur'. D. Muttich, Mutch, Mautch (DW): Hessen muttich 'bewaarplaats voor fruit, geld', Westerwald mautch, mutch 'verstopte bergplaats voor fruit om het te laten rijpen', Zwitsers Duits mütach, mutich, mauke 'voorraad (fruit, geld), verborgen schat'. Verwant met Oe. myderce, mydrece 'kist, koffer' (WNT) of veeleer met N. dial. muta 'geheim, verborgenheid'? Fri. te muuk 'in het geheim'. De verbinding met meuk, muik 'zacht, week' (Van Dale, De Vries) is wellicht niet aangewezen, als de primaire betekenis van meuk niet is 'plaats waar fruit rijp, zacht wordt', maar veeleer 'geheime bergplaats'.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

meukel, meuk glunder (Holland). ~ meuken II ↑.
WNT IX 647, Woudt 67.

muik, muuk plaats waar fruit zacht wordt (Zuid-Nederland). - 16e-eeuws nl. muydick ‘id.’, mnl.limb. muedeke ‘id.’, ndd. mudeke ‘id.’, silezisch maute ‘bergplaats voor fruit’, ~ ohgd. mūttun ‘schuur’. Van eenzelfde wortel als modder, maar wel onder invloed gekomen van muiken ↑.
Cornelissen/Vervliet 838, Schuermans 396, WBD 71, NEW 440-441, 458.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

meuk ‘(gewestelijk) bewaarplaats (voor appels en peren, voor geld)’ -> Duits dialect Mudeke, Mudek, Mulik, Murek, Muzik ‘bewaarplaats voor appels en peren’.

meuk ‘(gewestelijk) zacht, week’ -> Duits dialect muke, muk, müdike, mudig, muike ‘overrijp’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal