Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

metten - (eerste breviergebed van de dag)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

metten zn. ‘eerste breviergebed van de dag’
Mnl. mattine, mattin, mettine, mettene ‘ochtendgebeden’ in sullen aldus beginnen hare mattinen ‘moeten hun metten aldus beginnen’ [1236; VMNW], alle nachte te mettenen ginc ‘iedere nacht naar de metten ging’ [1276; VMNW], een enkele maal de vorm mette ‘ochtendgebed’, bijv. VII tiden, mette ... noen, vesperen ... ‘zeven getijden, ochtendgebed ... middaggebed, vespers ...’ [1400-20; MNW-R]; vnnl. matten, metten in ghy en waert te mattene niet, ghy zijt te laete op ‘u bent niet naar de metten geweest, u bent te laat op’ [1528; WNT], nae de mettene ‘na de metten’ [1550; WNT].
Ontleend aan middeleeuws Latijn mattinae, matinae, een vereenvoudiging van christelijk Latijn matutinae, dat een verkorting is van laudes matutinae ‘ochtendlof’ of matutinae preces ‘ochtendgebeden’. Klassiek Latijn mātūtīnae ‘de vaste ochtendactiviteiten’ is een verkorting van mātūtīnae vigiliae ‘ochtendronden van de wacht, ochtendwake’, mv. van mātūtīnus ‘van de morgen, in de morgen’, een woord dat wrsch. te maken heeft met de godin Mātūta, een Italische godin van de dageraad.
De metten behoren tot het officiële breviergebed of de getijden van de rooms-katholieke kerk, zie → getij(de), en zie ook → lauden en → vespers. De metten werden in kloostergemeenschappen doorgaans om 3 uur 's nachts gezongen. Gebruikelijk is nog de uitdrukking korte metten maken met iets of iemand ‘zich snel en zonder veel omhaal van iets of iemand afmaken’ in dat wij met het middagmaal korte metten maakten, en zoo gauw als mogelijk den salon verlieten [1843; WNT], later nog negatiever ‘genadeloos met iets of iemand afrekenen’ in met deze [religieuze] tegenstanders kan de wetenschap korte metten maken [1898; WNT leerstellig].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

metten [eerste deel van dagelijks breviergebed] {metten(e), mattin(e) 1236} < middeleeuws latijn mattinae < latijn ad matutinam horam [voor het vroege uur], middeleeuws latijn matutinus [behorend bij de ochtenddienst], matutinae [vroeglof], latijn matutinus [morgen-], Matuta [de godin van de dageraad], verwant met maturus [rijp, op de juiste tijd geschiedend, vroeg] (vgl. matinee). De uitdrukking korte metten maken [weinig omslag met iets maken] is ontleend aan de monniken, die hun metten - meestal om drie uur 's nachts - afraffelen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

metten znw. mv. ‘eerste gedeelte van het dagelijks breviergebed’, mnl. mettene, mattene, mettine, evenals mnd. mettene, metten, laat-ohd. mattīna, mettīna (nhd. mette) < mlat. mattīna > (hora) matutīna.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

metten znw., mnl. mettene, mattene, - ĭne v., gew. in ’t mv. Evenals laat-ohd. mattîna, mettîna (nhd. mette), mnd. metien(é) v. “metten” uit mlat. mattîna < mâtutîna (hôra) “id.”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

metten v.meerv., Mnl. id., gelijk in andere Eur. talen, uit Mlat. mattina = morgenofficie, van Lat. matutina, zelfst. gebr. vr. bijv.nw. matutinus = vroeg, afgel. van Matuta = godes van den dageraad (z. noen).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

mette: (in uitdr.) kortmaak met, volkset. kort wette; Ndl. (korte) metten (Mnl. mettene/mattene/mettine), Hd. mette, Eng. mat(t)in(s), Fr. matines, uit Kerklat. matutinae, “môregebedjies” (wsk. verb. m. Matuta, “godin v. d. môrestond”).

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Metten, mnl. mettene, mattene, mattine, mettine, mv. mettenen, ook metten, uit lat. mattinae uit matutinae, met weglating van preces = morgengebed, het eerste van de zeven kerkelijke getijden. “Korte metten maken” (= spoedig gedaan maken) zegt men in België, waarvoor men in N.-Ned. meer “korte wetten maken” gebruikt. Beide kunnen naast elkander bestaan hebben, hoewel het mogelijk is, dat wetten later als schijnbare herstelling van een fout in de plaats van het niet begrepen metten is gekomen. “Iemand de metten (ook wel: wetten) lezen” = kapittelen (zie dat woord). Over deze kwestie zie men Stoett i.v.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Metten (morgengodsdienstoefeningen) van ’t Lat. matutina, van matutinus = vroeg, afgel. van Matuta = godin van den dageraad. Vgl. ’t Fr. matin = ochtend.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

metten eerste deel van dagelijks breviergebed 1236 [CG I1, 25] <ME Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1510. Iemand de metten lezen,

d.w.z. iemand de les lezen, hem kapittelen; eig. iemand den tekst van de metten voorlezen; dat zijn de gebeden, die soms te middernacht, doch in den regel te drie uren in den nacht moesten worden gelezen of gezongen, en waartoe de kloosterlingen door klokgelui werden opgewekt; mnl. mettene, lat. hora matutinaZie het Mnl. Wdb. IV, 1525-1526, alwaar o.a. uit Ruusb. V, 210 wordt aangehaald: Dat ierste ghetide der heiligher kerken inder nacht dat sijn de mettenen; Kil. Mettenen, horae sive preces matutinae, preces nocturnae, nocturnalia.. In het laat-mnl. (zie Spreuken, 27 of Campen 58) komt voor: Sy heft hem die gardijns metten gelesen, een bedsermoen gehouden; hd. einem eine Gardinenpredigt halten. De tegenwoordige uitdr. komt in de 17de eeuw voor in de klucht van De Wynoegst (anno 1698), bl. 21: Een Juffer met verstand die speeld den baas, en wil de man de mette leezen; V. Moerk. 564: Ziet het voor deze reis door de vingeren, ik zal hem de metten eerst louter leezen. Zie ook Sewel, 487: Iemand de metten voorlezen (iemand kapittelen), to chide, to reprimand one; Brieven v. Abr. Bl. I, 125; C. Wildsch. V, 113; W. Leevend, VII, 361; enz.

1511. Korte metten maken.

‘Dit drukt uit, iets haastig en loopswijze afdoen, gelijk de Moniken, die hunne metten (lectiones matutinae) uitrabbelen, om ras gedaan te hebben’ (Tuinman I, 26); hetzelfde als korte wetten maken (zie ald.), in den zin van weinig omslag met iets maken, haastig te werk gaan, zich niet lang bedenken. Zie verder Schuermans, 375: met iemand korte metten maken, bet. iemand gezwind weghelpen (Limb. en elders); Waasch Idiot. 434 b. Bij De Bo, 1068 en in het Antw. Idiot. 699 in denzelfden zin: kort spel maken met iet; in het stfri. ergens niet feul spul met make. Zie het Nieuw Nederl. Taalmagazijn I, 221-223; Villiers, 80; vgl. Mnl. Wdb. IV, 1526; Rutten, 144: Het zullen wederom lange metten zijn, het zal lang duren (evenzoo bij Claes, 147); fri. koarte metten meitsje. Zie no. 1510.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut