Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

metselen - (bouwen met stenen en specie)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

metselen ww. ‘bouwen met stenen en specie’
Mnl. metsen, maetsen ‘bouwen met stenen en specie’ in oft hine in die aerde soude maetsen ‘alsof hij hem zou neerhouwen’ [1350; MNW-R], Jan, de maetsenare, salne maetsen ‘Jan, de metselaar, zal het (kasteel) metselen’ [1350-1400; MNW-P], te doen maetselen ende tymmeren ‘te laten metselen en timmeren’ [1360; MNW], metselen [1377-78; MNW].
Frequentatief van metsen ‘metselen’, dat in het BN nog steeds gebruikelijk is, maar in het NN na de 17e eeuw verouderde. Afleiding van maetse, metse ‘huizenbouwer, metselaar’ [1336; MNW], dat ontleend is aan middeleeuws Latijn matio, machio ‘id.’ [6e eeuw; Niermeyer]. Dit Latijnse woord gaat, evenals Frans maçon ‘id.’, terug op Frankisch *makjo, een nomen agentis bij het werkwoord → maken.
Ohd. gimezzōn ‘glad maken’, steinmezzo ‘metselaar’.
metselaar zn. ‘iemand die metselt’. Mnl. maetselars ... anden torre ‘metselaars aan de toren’ [1285; VMNW], Jacob den metselaer [1377-78; MNW]. Afleiding van metselen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

metselen [bouwen met mortel en stenen] {m(a)etselen 1360} iteratief van middelnederlands machen, maetsen, metsen, van mache, metse(r), metselaer, metsenaer [metselaar], oudhoogduits steinmezzo; in het rom. provençaals masso, frans maçon, picardisch machon < laat-latijn machio < frankisch ∗makjo, van ∗makôn [maken] (vgl. maçon).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

metselen ww. mnl. maetselen, metselen, messelen (vooral noordnl.), iteratief van maetsen, machen, metsen. Daarnaast staat mnl. metse, maetse, ohd. steinmezzo (nhd. Steinmetz) < vulg. lat. matio ‘fabricator aedis’ (zuidfrank. Reichenauer glossen uit 6de tot 7de eeuw). Dit beschouwt men als een ontlening (met veranderde uitgang) < germ. *makjō bij os. makōn ‘maken’, dat weer te vergelijken is met lat. machio, fra. maçon, ne. mason.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

metselen wnw., mnl. (vooral noordndl.) maetselen, metselen, messelen, afl. van maetsen, machen, metsen (in den laatsten vorm nog zuidndl.). Dit is weer een afl. van mnl. maets(e), mache, mets(e) m. “metselaar”. In dezelfde bet. de afgeleide vormen metser(e), maetser(e), metsenâre, maetsenâre en (vooral noordndl.) metselâre, maetselâre m. (nndl. metselaar). [Uit het Mnl. komt mnd. metsen, metselen “metselen”.] In dezelfde bet. prov. massó, fr. macon, pic. machon, die een in Gallië gebruikelijk vulgairlat. *maccio veronderstellen, waarnaast mlat. machio en (in de 8.eeuw) matio voorkomen. Vgl. ook ohd. steinmezzo m. “steenhouwer” (nhd. metze, steinmetz). Fr. maçon enz. gaan op den accus. van *maccio terug, mnl. maetse kan uit den nominatief rom. *mace resp. een wat jongeren ofr. vorm ontstaan zijn. Mnl. metse, ohd. mezzo kunnen een oudere ontl. uit het Rom. zijn, maar ook de klankwettige voortzetting van een Germ. *matjan- of *mattjan-, waaruit dan lat. matio, wellicht ook machio (*maccio) weer kan ontstaan zijn. [Dit wordt evenwel ook wel met lat. mâceria “leemen muur” gecombineerd, in welk geval de heele woordfamilie van metselen oorspr. rom. zou kunnen wezen.] Verwantschap van germ. *matjan-, *mattjan- met ags. mattuc, mettoc, meottoc m.. “houweel” (eng. mattock) is mogelijk. Men neemt wel een idg. basis mad- “slaan, houwen” aan, waarvan dan ook ier. maidid “hij breekt”, lat. malleus (*madl-) “hamer”, mâiâlis “gesneden mannetjesvarken”, gr. mástix “geesel” worden afgeleid. De germ. vormen met tt kunnen ook idg. tn hebben en met de bij made besproken woorden lat. mateola enz. verwant zijn. Zie ook metworst.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

metselen, metselaar. Dat mnl. metse zou kunnen berusten op een germ. *mat(t)jan-, is een gedachte, die v.Wijk zelf Tschr. 33, 220 verworpen heeft. De ndl. vormen wijzen eer op een rom. woord met a + palatale consonant. Daarmee klopt de oudste mlat. vorm macio. Tegen de afl. van dit rom. woord uit een germ. *makjan-, dat bij maken zou behoren en de naam zijn van den werkman, die het leem voor het oudgerm. gevlochten huis kneedde (Meyer-Lübke WuS. 9, 67 vlg.; zie bij maken Suppl.), maakt Karstien Festschr. Behaghel (1924) 289 vlgg. gegrond bezwaar. Karstiens eigen intern-germ. combinatie t.a.p. met metworst (zie dat woord Suppl. en verder moes Suppl.) valt echter over de ts-vormen van het Mnl. Het waarschijnlijkst blijft rom. herkomst van de germ. woordfamilie. Het is niet onmogelijk, dat het rom. woord op zijn beurt van germ. oorsprong is, maar een enigszins overtuigende grondvorm is niet gegeven.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

messel: bouwerk m. klippe en/of stene doen; Ndl. metselen/(ouer) metsen (sedert 14e eeu), vlgs. sommige uit Germ., maar ander soek verb. m. Fr. maçon (wu. Eng. mason), “messelaar”, uit Ll. mationes (mv.) en nog weer ander m. Lat. machina (v. masjien); by vRieb vermesselen maar metselwerck.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

metselen (van Latijn macio)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

metselen ‘bouwen met mortel en stenen’ -> Duits dialect messeln, mässeln, metselen ‘bouwen met mortel en stenen’; Ambons-Maleis mètsèl ‘bouwen met mortel en stenen’; Kupang-Maleis mètsèl, mèsèl ‘bouwen met mortel en stenen; metselwerk’; Letinees mèsla ‘bouwen met mortel en stenen’; Menadonees mètsèl, mèsèl ‘bouwen met mortel en stenen; metselwerk’; Savu mèhè ‘bouwen met mortel en stenen’; Ternataans-Maleis mètsèl, mèsèl ‘bouwen met mortel en stenen; metselwerk’; Creools-Portugees (Batavia) messel ‘bouwen met mortel en stenen’; Negerhollands metsel ‘bouwen met mortel en stenen’; Papiaments † metsel, messel ‘bouwen met mortel en stenen’; Sranantongo mesre ‘bouwen met mortel en stenen’; Sarnami mesre kare ‘bouwen met mortel en stenen’; Surinaams-Javaans mésré ‘bouwen met mortel en stenen’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

metselen bouwen met mortel en stenen 1360 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal