Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

meten - (de maat bepalen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

meten ww. ‘de maat bepalen’
Onl. metan ‘meten’ in metan sal ic ‘meten zal ik’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. meten ‘meten’ [1240; Bern.].
Os. metan (mnd. meten); ohd. mezzan (nhd. messen); ofri. meta (nfri. mjitte); oe. metan (ne. mete out ‘toedienen (van straf)’); on. meta (nzw. mäta); got. mitan; < pgm. *metan- ‘meten’. Zie ook → meet en → maat 1.
Verwant met: Latijn medēri ‘genezen’ (zie → medicijn), meditārī ‘peinzen, overwegen, bestuderen’ (zie → mediteren) en modus ‘maat, voorschrift’ < *medo- (zie → mode); Grieks mḗdesthai ‘overwegen, zich bekommeren’, médesthai ‘bedenken, verzinnen’; Avestisch masatā ‘zou toemeten, zou doseren’, vī-mad- ‘heelmeester’; Oudiers midiur ‘denken, beoordelen’, Welsh meddu ‘denken, kunnen, heersen’, meddwl ‘gemoed’; Armeens mit ‘gedachte’. Qua betekenis ligt het Germaanse werkwoord dichter bij Latijn metīrī ‘meten’, maar dat gaat terug op de wortel pie. *meh1- ‘(af)meten’, zie → meter 1. Bij deze laatstgenoemde wortel zijn geen Germaanse erfwoorden bekend, op één afgeleid zn. na, oe. mǣþ ‘maat, hoeveelheid’ (< pie. *meh1-ti-; me. methe). Misschien zijn in pgm. *metan- wel woorden uit pie. *med- en pie. *m(e)h1- samengevallen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

meten* [een maat bepalen] {1201-1250} oudsaksisch, oudengels metan, oudhoogduits mezzan, oudfries, oudnoors meta, gotisch mitan; naast dit sterke ww. oudhoogduits mezzon [matigen], gotisch miton [(be)denken, overwegen]; buiten het germ. latijn meditari [overwegen], grieks medesthai [bedenken], oudiers mess [oordeel], midiur [ik oordeel].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

meten ww., mnl. meten, os. metan, ohd. meʒʒan (nhd. messen), ofri. meta, oe. metan, on. meta, got. mitan. Daarnaast zwak ww. ohd. meʒʒōn ‘matigen’, got. mitōn Overleggen, denken’ en de afl. os. metod, oe. meotod, on. mjǫtuðr ‘lotsbeschikker; noodlot’, got. mitaþs v. ‘maat’. — gr. médomai ‘overwegen, meten’, lat. meditāri ‘overleggen, overwegen’, oiers midiur ‘denken, oordelen’ (IEW 705). — Zie verder: maat, moeten en ontmoeten.

De idg. wt. *med is afgeleid van *mē ‘meten, afmeten’, waarvoor zie: maal 5. — Zie verder nog J. Trier, Nachr. AW Göttingen 1943 Phil. hist. kl. 551.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

meten wnw., mnl. mēten. = ohd. mëʒʒan (nhd. messen), os. mëtan, ofri. mëta, ags. mëtan, on. mëta, got. mitan “meten” (en allerlei afgeleide bett.). Hiernaast het zwakke ww. got. miton “overleggen, denken”, ohd. mëʒʒôn “matigen”. Vgl. nog os. mëtod, ags. meotod, on. mjǫtuðr m. “lotsbestuurder, noodlot”, got. mitaþs v. “maat”. Van de idg. basis mĕd-, evenals o.a. ier. midithir “hij oordeelt”, lat. meditor “ik denk na”, modus “maat”, gr. médomai, “ik denk aan, zorg voor”, mḗdomai “ik verzin, neem een besluit”, arm. mit “geest, gedachte”, av. mad- “toemeten, toedeelen”. Idg. mĕd- is een verlenging van mě- “meten”, waarvan oi. mímâti, mā̍ti “hij meet”, av. operz. mâ- “meten”, gr. mḗtis “plan, inzicht”, métron “maat” (ook uit idg. “med-tro- verklaard), obg. měra “maat”, got. mela m. “schepel” (ook maal I?), benevens het bij maan besproken idg. woord en met een t-formans ier. air-med “maat” (of heeft dit idg. d?), lat. mêtior “ik meet”, gr. mátion “kleine maat”, lit. me͂tas “jaar, tijd”, alb. mats “maat”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

meten o.w., Mnl. id., Os. metan + Ohd. meʒʒan (Mhd. meʒʒen, Nhd. messen), Ags. metan (Eng. to mete), Ofri. meta, On. id. (Zw. mäta), Go. mitan, Germ. wrt. met + Gr. médōn = raadsman, médomai = overwegen, Lat. modus = maat, meditari = overleggen, Oier. midim = ik oordeel: Idg. wrt. med, uitbreiding van den wortel van maal.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

meet I: ww., afmetings/mate (breedte, lengte, ens.) bep.; Ndl. meten (Mnl. meten), Hd. messen, hou verb. m. maan I en m. maat I; Eng. measure via Fr. mesure uit Lat. mensura, “maat”, ww. metiri, “meet”; v. ook vermetel.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Meten, Germ. met = meten, ook: overwegen, bedenken, als het ware met het verstand meten; Idg. med; vgl. Lat. modus = maat; meditari = overwegen, overpeinzen; Gr. medoon = raadsman.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

meten ‘een maat bepalen’ -> Zweeds måtta ‘richten, mikken’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands meet, mēt ‘een maat bepalen’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

meten is weten [spreekwoord] (1882). De latere Nobelprijs-winnaar Heike Kamerlingh Onnes (1853-1926) spreekt in Leiden in 1882 in zijn inaugurele rede als hoogleraar experimentele natuurkunde en meteorologie van ‘door meten tot weten’, dat spreekwoordelijk is geworden als meten is weten.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

meten* een maat bepalen 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1455. Met twee maten meten,

d.w.z. partijdig zijn, gelijksoortige personen of zaken verschillend beoordeelen. Het schijnt dat deze zegswijze eerst in de 19de eeuw voorkomt. Zie Ndl. Wdb. IX, 627; De Tijd, 16 Jan. 1914, 2de bl. p. 1 k. 1: Er is te Zabern en te Straatsburg reeds genoeg gemeten met twee maten. Tegenover de militairen alle mogelijke clementie - tegenover de burgerlijke elementen alle mogelijke gestrengheid. In het Antw. Idiot. 1885: Twee maten en twee gewichten hebben, verschillend handelen volgens de personen; fr. avoir deux poids et deux mesures.

1454. Met de maat, waarmede gij meet, zal u weder gemeten worden,

ook zoo gij meet, zoo wordt gij gemeten, d.w.z. zooals wij anderen behandelen, zullen wij zelf behandeld worden; het kwaad dat wij anderen aandoen, zal aan ons vergolden worden. Het woord is ontleend aan Matth. VII, 2: Want met welck oordeel ghy oordeelt, sult ghy geoordeelt worden: ende met welcke mate ghy metet, sal u weder gemeten worden; Zeeman, 364; Harreb. II, 50; III, 47; Ndl. Wdb. IX, 627; Villiers, 78; Wander III, 490; vgl. Praet, 1013: Met sulker maten alstu hier meets, so sal men di wedermeten; Campen, 21; Everaert, 97; De Brune, 130: Met de mate die ghy meet zult ghy daer naer oock zijn besteet; Brederoo I, 77, vs. 2161: Soo ick Alphonsus mat, soo werd ick weer ghemeten; fr. de la mesure dont vous mesurez les autres vous serez mesurés; hd. mit dem Masze wie ihr messet, soll euch wieder gemessen werden; eng. with what measure ye mete, it shall be measured to you again.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal