Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

mesten - (vet maken (van varkens))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

mesten 2 ww. ‘door overvloedig voederen vet doen worden’
Mnl. mesten ‘vet maken’ [1240; Bern.], haelt en uet kalf dat ghemestt si ‘haal een vetgemest kalf’ [1291-1300; VMNW].
Mnd. mesten; ohd. mesten (nhd. mästen); oe. mæstan; < pgm. *mastjan- ‘vet mesten’, afleiding van *mastō- ‘varkensvoer’, waaruit: mnl. mast ‘varkensvoer’; mnd. mast ‘het voederen van varkens’; ohd. mast ‘het mesten, voederen’ (nhd. Mast: nzw. mastig ‘krachtig, vullend’); oe. mæst ‘eikels, varkensvoer’. Oorspr. had het woord betrekking op het vetmesten van varkens met eikels. De dieren werden het bos ingedreven waar ze zelf naar eikels en beukenoten konden zoeken.
Verwant met: Sanskrit medas ‘vet’, médyati ‘vet worden’; Oudiers māt (< *mazdā) ‘varken’; < pie. *msd- (LIV 422). Misschien (Kluge) gaat dit terug op *mh2d-zd- ‘voedsel’ en hoort het bij de wortel pie. *mh2d-, zie → moes. De tweede -d- zou dan afkomstig kunnen zijn van pie. *dheh1- ‘zetten’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

mesten2* [vet maken (van varkens)] {1201-1250} middelnederduits, oudhoogduits mesten (hoogduits mästen), oudengels mæstan, afgeleid van middelnederlands, middelnederduits, oudhoogduits mast [eikels en beukennoten als varkensvoer] (vgl. mast2), oudengels mæst (engels mast); buiten het germ. oudindisch medas- [vet], medyati [hij wordt vet], oudiers mát [varken].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

mesten 2 ww. (van vee), mnl. mesten ‘vetmaken, vetworden’, mnd. mesten, ohd. mesten (nhd. mästen), oe. mæstan. — Afl. van mast 2.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

mesten II (vetmesten), mnl. mesten (ook = “vet worden”). = ohd. mesten (nhd. mästen), mnd. mesten, ags. mœstan “mesten”. Van mnl. mast (m.?) “voer”, speciaal “varkensvoer” (nnl. mast), ohd. mhd. mast m. v. o. (nhd. mœst v.), mnd. mast, ags. mœst m. (eng. mast) “id.”. Verwant is wsch. oi. médas- “vet” (idg. *mazdos-), misschien ook ier. mât (“mazdâ-) “varken”. Ook oi. mástu-”zure room” kan verwant zijn; wellicht zijn idg. mas-t- en maz-d- formantische varianten. Ook gr. mazós “vrouwelijke borst” en andere woorden worden vergeleken. De combinaties worden al te vaag als wij al deze woorden bij een idg. wortel mad- gaan brengen (vgl. daarover bij moes).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

mesten o.w. (vetmesten), Mnl. id. + Ohd. mesten (Mhd. id. Nhd. mästen), Ags. mæstan, denom. van mast = voer, mesting + Ohd. mast, Nhd. id.), Ags. mæst (Eng. mast) + Skr. medas = vet, Oier. mát = varken.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

maste (ww.) vetmesten; Vreugmiddelnederlands mesten <1240>.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Mesten (vee) van ’t Germ. mazdo, Skr. medas = vet; ’t woord zegt dus: vetmaken.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

mesten* vet maken (van varkens) 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1061. Het gemeste kalf slachten.

‘Deze spreekwijze, aan de gelijkenis van den verloren zoon Luk. 15 vs. 23-27 ontleend, wordt gebezigd wanneer men wil aanduiden, dat voor een bijzonder welkom persoon of voor eenige feestelijke gelegenheid het beste en kostbaarste wordt opgezet’; Zeeman, 316; Harreb. I, 375; Ndl. Wdb. VII, 930; fr. tuer le veau gras; hd. das fette Kalb schlachten; eng. to kill the fatted calf.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut