Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

mest - (uitwerpselen van dieren)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

mest zn. ‘uitwerpselen van dieren’
Mnl. mest ‘uitwerpselen’ [1240; Bern.], naast mes ‘id.’ [1285; VMNW mesc].
Os. mist; ohd. mist (nhd. Mist); got. maihstus; alle ‘mest’; < pgm. *mihstu-. Daarnaast met ander achtervoegsel pgm. *mihsa- ‘id.’, waaruit mnl. mes, mis; os. mehs; nfri. mjoks, mjuks; oe. meox. Beide zijn wrsch. afleidingen van de wortel van pgm. *meigan- ‘urineren’, waaruit: mnl. migen (nnl. dial. miegen); mnd. mīgen; nfri. mige; oe. mīgan; on. míga (nno. mige).
Verwant met: Latijn mingere, meiere ‘urineren’; Grieks omeíkhein ‘id.’; Sanskrit méhati ‘urineert’; Litouws mỹžti ‘urineren’; Servisch en Kroatisch mižati ‘id.’; Tochaars B mišo ‘urine’; bij de wortel pie. *h3meiǵh- ‘urineren’ (IEW 713, LIV 301).
mesten 1 ww. ‘met mest vruchtbaar maken’. Mnl. mesten ‘vruchtbaar maken’ [1240; Bern.], naast messen, missen ‘id.’. Afleiding van mest.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

mest* [uitwerpselen] {mest, mist 1201-1250} oudsaksisch, oudhoogduits mist, fries mjuks, oudengels meox, gotisch maihstus, verwant met miegen [urineren].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

mest znw. m., dial. ook mist, vgl. mnl. mist, mest m.o., os. mist, ohd. mist, got, maihstus m. Deze vormen gaan terug op germ. *mihstu-. Daarnaast staan ook *mihsa- waarvoor vgl. mnl. mis, mes m.o. (nog in N. en Z. Holl. mis, misse en Utrecht, Brab., en Oostel. mes, messe), mnd. mes m., fri. mjuks, oe. meox, mix o.; verder westgerm. *mihska- vgl. mnl. messche, missce, misse en *mihsana- vgl. mnl. messen, messene, oe. mixen, meoxen v. (ne. mixen). Verder mengvormen als mnl. messinc, missinc m. In het ohd. mistunnea, mistina ‘mesthoop’ treedt weer het oostelijke n-suffix op (K. Heeroma, Holl. Dial. Stud. 1935, 25). - Het woord behoort bij het ww. nnl. dial. miegen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

mest znw., dial. ook mist, mnl. mist, mest m.o. = ohd. (nhd.) mist, m., os. mist m., got. maíhstus m. “mest, drek”. Naast dit Germ. “miχstu- < idg. *miĝh-s-tu-staat *miχsa- uit *miĝh-so- in mnl. mis, mes m.o. (nog dial.), mnd. mës m., fri. mjuks, ags. meox, mix o. “id.”. Mnl. komt ook messche, misse, missce v.o. “id.” voor en in de bet. “mesthoop, mest” ook messie v. en messinc, missinc m. (nog dial.), dat wellicht door suffix-substitutie ontstaan is uit messen(e) v. = ags. mixen, meoxen v. (eng. mixen) “id.”, terwijl het Ohd. mistunnea, mistina v. “mesthoop” bezit. Van den idg. wortel miĝh-, waarvan o.a. ook ndl. dial. miegen, Teuth. myghen, mnd. mîgen, fri. mige, ags. mîgan, on. mîga “wateren”, (misschien ook ofri. mêse v. “urine”), lal. mingo, mêio, gr. omikhéō, serv. mìžam (*mizją), lit. mężù, arm. mizem “ik water”, oi. méhati “hij watert”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

mist 1 m., bijvorm van mest.

mest m., Mnl. id. Os. mist + Ohd. mist (Mhd. en Nhd. id.), Go. maihstus; daarnevens Mnl. mes (d.i. *mehs) + Ags. meox (Meng. mix): van Germ. wrt. mig = pissen: Ndl. mijgen, Ags. migan, On. míga + Skr. wrt. mih, Arm. mìzem, Gr. omikheĩn, Lat. meiere en mingere, Lit. meźu: Idg. wrt. meig͂h; z. mist 1, mist 2.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

mès (zn.) mest; Vreugmiddelnederlands mest <1240>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

mis s.nw.
1. Dierlike ontlasting. 2. Bemestingstof wat bestaan uit mis (mis 1) en (of) kunsmis.
Uit Ndl. mest, ook (eerder) mist (Mnl. mis, mes, meste).
Vanuit Afr. in S.A.Eng. in die vorm mest (1852) en in die samestelling kraiel mist (1864).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetensckap en Kuns

mis I: uitwerpsel v. diere; Ndl. mest, dial. mist (Mnl. mest/mist, naas Mnl. mes en dial. mes/messe en Mnl. mis, dial. mis/misse, vgl. dial. en veroud. Eng. mixen, “mishoop”), hierby Ndl. ww. mesten (Mnl. mesten), Afr. mis – Ndl. mesten in bet. “vetmaak” in Afr. hoofs. nog net in verbg. die gemeste kalf (uit d. Bybel); by vRieb mest maar schapenmist.

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Mest, mist, ook wel mes, manl, of onz., mnl. mist, mest, mis, mes, misse vr., ohd. mist, go. maihstus. Er is dus een gutturaal voor de s verdwenen; het is verwant met lat. mingo (ge-nasaleerd) = wateren. Mestvaalt, een soort platte, vierkante mesthoop; vroeger ook mestfaalte; vaalt misschien verwant met lat. palus (gen. paludis) = poel.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

mest ‘uitwerpselen’ -> Zuid-Afrikaans-Engels mis, mest ‘uitwerpselen’ ; Javaans mès ‘uitwerpselen, (kunst)mest’; Papiaments mèst (ouder: mest) ‘uitwerpselen’; Sranantongo mèst ‘uitwerpselen’; Sarnami mes ‘uitwerpselen’; Surinaams-Javaans mès ‘uitwerpselen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

mest* uitwerpselen 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut