Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

merk - (merkteken; handelsnaam)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

merk zn. ‘merkteken; handelsnaam’
Mnl. marc, merc ‘merkteken, handelsmerk’ in so ... hij ... mercte met andren merke dan met sijns selfs ‘als hij (het) zou voorzien van een ander merkteken dan dat van hemzelf’ [1337-78; MNW], met sire marke ‘met zijn merk’ [1359; Stall.]; vnnl. marck, merck ‘teken, kenmerk’ [1599; Kil.].
Hetzelfde woord als → mark ‘grensgebied, landstreek’. De oorspronkelijke betekenis ‘grens, afscheiding’ ontwikkelde zich ook tot ‘grensteken, scheidingslijn’ en meer algemeen tot ‘merkteken’.
Palatalisering van korte -a- tot -e- voor -r- + velaar kwam in Middelnederlandse woorden veel voor. In de meeste gevallen heeft de huidige standaardtaal een vorm met -e-, bijv.erg, → kerker, → merg, → sterk, → zerk. De -a- is nog te vinden in → barg en in → arglist en → argwaan. Oorspr. waren de vormen met -a- en -e- slechts klankvarianten, maar bij het woord mark/merk werd het klankverschil later een betekenisonderscheid. Hetzelfde is gebeurd bij → park naast de jongere variant → perk. Voor een vergelijkbare klankwisseling voor -r- + dentaal, zie → hart en → haard. Voor een vergelijkbare klankwisseling voor -r- + labiaal, zie → nerf 1.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

merk* [teken] {merc 1337-1378, marc 1360} met e uit a voor r + gutturaal, vgl. oudhoogduits marcha, oudengels mearc, oudnoors mark, merki, en vgl. mark1 [grenssteen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

merk znw. o., met e > a voor r + gutt., vgl. mnl. marc, merc o., marke, merke v. ‘teken, merk’, mnd. mark o., mhd. marc o., ohd. marcha v., oe. mearc (ne. mark), on. mark o.

De etymologie is onzeker. Men zal moeten uitgaan van teken, en misschien eigenlijk de tekens, die op de leemwand van het huis gemaakt werden; dan misschien te vergelijken tsjech. moratý ‘zwart gestreept’. Hoger op kan er samenhang zijn met het woord mark in markgraaf, vooral wanneer men mag uitgaan van het van twijgen gemaakte vlechtwerk (AEW 384).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

merk znw. o., met e uit a vóór r + gutturaal (vgl. merg), mnl. marc, merc o., marke, merke v. “teeken, merk”. = nihd. marc o., ohd. marcha v., mnd. mark o., ofri. merka? (Onzekere conjectuur voor mertla), ags. mearc v. (eng. mark), on. mark o. “id.”. Uit het Germ. fr. marque “id.” (> nhd. marke v.). Mogelijk is de oudste bet. “grensteeken”: dan hoort merk bij de bij markgraaf besproken woordfamilie. Ten onrechte is gr. brabeús “kamprechter” hier nog mee gecombineerd.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

merk 2 o. (teeken), bijvorm van mark 1.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1merk s.nw.
1. Teken op iets agtergelaat. 2. Teken op enige voorwerp aangebring, onderskeidingsteken, stempel. 3. Teken op verpakking van handelsartikels. 4. Punt.
In bet. 1, 2 en 3 uit Ndl. merk (17de eeu in bet. 1 (tans onbekend), 1579 in bet. 2, 1638 in bet. 3). Bet. 4 is 'n leenbetekenis van Eng. mark (1829).
Eng. mark het oorspr. in skole gedui op 'n vertikale strepie wat teenoor 'n leerling wat 'n vraag reg geantwoord het se naam gemaak is.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

merk (het, -en), (i.h.b.:) 1. lichamelijk(e) kenmerk(en) waaruit bloedverwantschap blijkt. O ja, een van de vaders heeft ontkend een kind met haar te hebben verwekt, maar is later toch bijgedraaid toen hij het merk van de knaap zag (ze lijken als twee druppels water op elkaar) () (Dobru 1968a: 15). - 2. buitenlands, i.h.b. Amerikaans, sigarettemerk. Hij rookt alleen maar merk (mond.) = Hij rookt alleen maar Amerikaanse sigaretten. - 3. (veroud.) dagtaak van vastgestelde omvang. Wat nu den aard van arbeid in het bijzonder betreft, zoo is aan te merken, dat het delven of graven van kanalen hier te lande voor den zwaarsten arbeid gehouden wordt: het merk voor één’ Neger* is, in zwaar land, 500 kubiekvoeten per dag () (Kuhn 1828: 16). - Etym.: (1) S marki = o.m. teken; E mark, AN merk = o.m. kenmerk, maar altijd aangebracht. (3) AN merk, E mark = o.m. merkteken. In SN bet. het vermoedelijk oorspr. het streepje op een merkstok* aangevende de hoeveelheid produkt die per dag geoogst moest worden. Oudste vindpl. Blom 1786.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

merk ‘teken’ -> Indonesisch mérek ‘handelsmerk; naamplaat; kwaliteit; goede naam; teken’; Jakartaans-Maleis mèrèk ‘naam waaronder een bepaald product op de markt gebracht wordt’; Javaans mèrek ‘naam waaronder een bepaald product op de markt gebracht wordt; merkstreep’; Madoerees merēk ‘merk (uit letters bestaande) bijvoorbeeld van een zakdoek, opschrift, handelsmerk, etiket’; Menadonees mèrèk ‘naam waaronder een bepaald product op de markt gebracht wordt’; Negerhollands merk ‘teken’; Berbice-Nederlands merki ‘teken’; Sranantongo marki ‘teken’ (uit Nederlands of Engels).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

merk* teken 1323 [Verzameling van Stukken die betrekking hebben tot Overysselsch Regt]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut